V-raad gispt Irak na twee conflicten over inspectie

NEW YORK, 12 MAART. De Veiligheidsraad van de Verenigde Naties heeft Irak gisteren gewezen op de “risico's” van tegenwerking van de VN-inspecteurs die toezien op de ontmanteling van de Iraakse massa-vernietigingswapens.

De waarschuwing volgde op de tweede ruzie binnen drie dagen tussen de Iraakse autoriteiten en VN-inspecteurs die een gebouw wilden controleren. In het eerste geval gaven de Irakezen na 18 uur toe, in het tweede weken ze na 12 uur en stonden ze inspectie toe. In beide gevallen vonden de VN-vertegenwoordigers voor zover bekend geen belastend materiaal.

“We hopen dat dit niet gaat voortduren”, zei de voorzitter van de Veiligheidsraad, Legwaila Joseph Legwaila uit Botswana, na een zitting van de raad achter gesloten deuren. Herhaling kan een “krachtiger” actie van de raad noodzakelijk maken, waarschuwde hij.

De Iraakse VN-ambassadeur, Nizar Hamdoon, wees er gisteren op dat de VN en Irak in het verleden een “herenakkoord” hadden gesloten dat onverwachte inspecties uitsloot van gebouwen die “gevoelig voor de staat” zijn. De Russische vertegenwoordiger in de Veiligheidsraad, Sergej Lavrov, beaamde dat de VN in 1993 ermee hadden ingestemd dat dergelijke instellingen “met speciale tact” zouden worden benaderd.

Andere Iraakse functionarissen suggereerden dat de VN Bagdad hadden willen “provoceren” om de onderhandelingen over een beperkte hervatting van de Iraakse olie-export om onder andere levensmiddelen voor de bevolking aan te schaffen, te torpederen. De VN hebben dat met kracht tegengesproken.

De onderhandelingen tussen de VN en Irak over de kwestie 'olie tegen voedsel' werden gisteren in New York hervat. Een eerste ronde in februari heeft niet tot resultaten geleid. De nieuwe ronde zal naar verwachting tien dagen duren. Over de resultaten valt nog niets te zeggen. Elk akkoord in New York moet overigens worden goedgekeurd door de politieke leiding in Bagdad en door de secretaris-generaal van de VN, die weer onder toezicht staat van de Veiligheidsraad. Een akkoord in 1992 werd door de Iraakse president Saddam Hussein afgewezen, omdat het inbreuk zou maken op de Iraakse soevereiniteit. (Reuter, AFP, AP)