Stukje met God (1)

In het intrigerende 'Stukje met God erin' (NRC HANDELSBLAD, 23 februari) blijkt de heer Heldring een tegenstelling te ontdekken tussen Hebr. 10:31 ('Vreselijk is het te vallen in de handen van een levende God') en 2 Samuel 24:14 ('Laat ons toch vallen in de hand des Heren, want zijn barmhartigheid is groot'). “Klopt de barmhartige God, over wie David het heeft, met de God in wiens handen het vreselijk is te vallen?”, aldus de schrijver.

Zou het niet kunnen zijn, dat God zowèl vrees-wekkend àls barmhartig is? Ik denk bijvoorbeeld aan Psalm 130:3 en 4, waar wij lezen: 'Als Gij de ongerechtigheden in gedachtenis houdt, Heer, wie zal bestaan? Maar bij U is vergeving, opdat Gij gevreesd wordt'. (Of, met de vertaling van Ida Gerhardt en Marie van der Zeyde, 'want zó wilt Gij gevreesd zijn.')

Voorts, zou het 'Stukje met God erin' niet aan geloofwaardigheid winnen, als de schrijver er al dadelijk van was uitgegaan, dat de Hebreeënbrief niet door Paulus is geschreven, zoals al vóór de oorlog, bijvoorbeeld door de Leidse nieuwtestamenticus De Waan (en niet pas door 'de moderne nieuwtestamentische wetenschap') werd vastgesteld?