Philips roeit met verzet 36-uur tegen stroom in

DEN HAAG, 12 MAART. Philips en de werkgevers in de metaal hebben hun hakken in het zand gezet: bij hun bedrijven geen 36-urige werkweek. Daarmee vormen ze een uitzondering, want elders worden aan de lopende band CAO's afgesloten waarin afspraken over korter werken worden gemaakt. De lijst van CAO's met afspraken over een gemiddeld 36-urige werkweek betreft 1.110.930 werknemers (stand van zaken per 10 januari 1996) en bevat klinkende namen als NS, KBB,V&D , Heineken, Douwe Egberts, Akzo Nobel, DSM, Bols Wessanen, Grolsch en de rijksoverheid.

Al is de 36-urige werkweek nog niet overal daadwerkelijk ingevoerd (het betreft veelal experimenten), de vakbeweging voelt zich door de onderhandelingssuccessen gesterkt en eist ook bij Philips en in de metaal een kortere werkweek, naast meer geld. De oplopende winsten bij de meeste ondernemingen hebben de vakbonzen vleugels gegeven, zo lijkt het. “Kijkend naar de bedrijfsresultaten zeg ik: het zit eraan deze keer”, aldus districtsbestuurder Jan Cuperus van de Industriebond FNV, die Philips in zijn portefeuille heeft.

Een kortere werkweek als CAO-eis is niks nieuws. Op 1 mei 1959 werd bij de NV Philips' Gloeilampenfabrieken te Eindhoven bijvoorbeeld een CAO afgesloten waarin werd afgesproken dat uiterlijk 30 april 1962 de normale wekelijkse arbeidsduur voor de daarvoor in aanmerking komende groepen van werknemers zou zijn teruggebracht van 48 tot 45 uur, verdeeld over 5 werkdagen. De zaterdag werd als normale werkdag begraven. Twee decennia later, op 1 januari 1985, werd bij Philips de slag van 40 naar 38 uur gemaakt in de vorm van 13 roostervrije dagen. En weer een decennium later staat de 36-urige werkweek op de vakbondsagenda. Niet in de vorm van nog eens 13 roostervrije dagen erbij. “Als het daarom ging was ik het gauw met Philips-onderhandelaar De Haas eens”, zegt Cuperus. “Dat werkt niet, 26 roostervrije dagen die als een deken over heel Philips worden heengelegd. Het moet gaan om maatwerk”.

Inmiddels hebben de bonden uit onverwachte hoek steun gekregen: van het Centraal Planbureau. Dat rekende ten behoeve van de begrotingsvoorbereiding van het kabinet Kok een viertal varianten door van een 36-urige werkweek voor alle bedrijfstakken in het jaar 2000. In alle varianten neemt het aantal banen dat jaar toe, terwijl de werkloosheid daalt. Dat laatste verraste veel politici en vakbondsbestuurders.

De werkgevers kwamen meteen in het geweer. “We worden er met zijn allen niet rijker van”, zegt secretaris economische zaken van werkgeversvereniging VNO -NCW Jan Klaver desgevraagd. Zijn opmerking heeft betrekking op de marktsector. Inderdaad neemt het produktievolume daar in alle varianten af. Een kortere werkweek voor iedereen leidt her en der tot fricties (zoals personeelstekorten), die ten koste gaan van de produktiecapaciteit. Dat laat onverlet dat er ook in de marktsector in het gunstigste geval (met looninlevering, een gering produktieverlies en hogere arbeidsprestaties per uur) 47.000 banen bijkomen. Zelfs zonder looninlevering neemt de werkgelegenheid in de marktsector in het jaar 2000 nog met 2.000 personen toe. Niet veel, maar toch. Alleen als alles tegenzit - geen looninlevering, veel capaciteitsverlies en hogere produktie per gewerkt uur - neemt de werkgelegenheid in de marktsector af, te weten met 21.000 personen. Deze achteruitgang wordt echter meer dan gecompenseerd door een toename in de kwartaire sector, die niet onderhevig is aan de tucht van de markt.

Zoals bij alle berekeningen van het CPB zijn de vooronderstellingen cruciaal. Het CPB gaat ervan uit dat de voltijd werkweek in alle bedrijfstakken 36 uur bedraagt in het jaar 2000. Dit komt overeen met een daling van de arbeidstijd met circa 4 procent in 4 jaar. “De effecten van arbeidsduurverkorting”, zo schrijft het Planbureau, “hangen sterk af van de wijze waarop deze wordt geïmplementeerd”.

Aangenomen wordt dat zelfstandigen hun werktijd en de daaraan verbonden produktiecapaciteit niet verminderen. Verder wordt ervan uitgegaan dat een deel van de capaciteit, namelijk daar waar sprake is van een kapitaalintensieve produktiewijze en/of ploegendiensten, op peil blijft. Bij de resterende bedrijven gaan niet alleen de werknemers 4 procent korter werken, maar gaat ook het bedrijf eerder dicht. Er wordt dus minder geproduceerd.

Bovendien kunnen problemen ontstaan bij het aantrekken van personeel. Aan sommige functionarissen is nu immers al een schreeuwend tekort. Ook daardoor neemt het vermogen om te produceren af. Het CPB maakt verschillende aannames over dit capaciteitsverlies bij arbeidsduurverkorting. In twee van de vier varianten wordt uitgegaan van een beperkt capaciteitsverlies in de marktsector van 15 procent. Bij de overige twee varianten is het capaciteitsverlies dubbel zo groot verondersteld.

Een andere vooronderstelling is die met betrekking tot de produktie per gewerkt uur. Bij bedrijven bestaan doorgaans interne arbeidsreserves. Bij een kortere werkweek kan door organisatorische veranderingen de leegloop worden beperkt en de efficiency worden verhoogd. Bij de Bijenkorf worden voltijd werknemers bijvooreeld op drukke uren ingezet en ook in de industrie kan door flexibele inroostering een optimaal gebruik van de beschikbare arbeidskracht worden gemaakt.

Pagina 18: Mogelijkheden tot loonderving gering

In twee varianten wordt gerekend met een beperkte produktiviteitsstijging van 10 procent, in twee andere met een winst van maar liefst een derde. Hoe groter de produktiviteitswinst hoe minder extra werknemers hoeven te worden aangenomen om de door korter werken ontstane gaten op te vullen.

Van belang is verder in hoeverre ATV gepaard gaat met looninlevering. Het CPB merkt hierbij op dat de mogelijkheid om loon in te leveren de komende jaren “wellicht zeer gering is”. Bij gemiddeld 2 procent economische groei per jaar bedraagt de gemiddelde contractloonstijging in de periode 1997-2000 maar 1,5 procent en stijgt de koopkracht van de modale werknemer (50.000 gulden bruto per jaar) niet. In twee varianten wordt aangenomen dat loon wordt ingeleverd overeenkomstig de daling van de produktie per werkende, in de overige twee gebeurt dat niet. Tenslotte is bij alle berekeningen verondersteld dat de helft van de personen die in deeltijd werken hetzelfde aantal uren blijft werken.

Arbeidsduurverkorting heeft een aantal negatieve economische consequenties, zo blijkt uit doorrekening van het CPB-model op basis van de bovenstaande veronderstellingen. De produktie daalt doordat bedrijven minder lang open zijn. De kosten moeten dan worden omgeslagen over minder produkten, waardoor de loonkosten per eenheid produkt toenemen. Die hogere loonkosten proberen bedrijven weer door te berekenen aan hun afnemers, zodat de prijzen stijgen. Enzovoort. De werkgevers leggen de nadruk op deze negatieve economische effecten. “We gaan korter werken en worden armer”, zegt secretaris Jan Klaver van de werkgeversvereniging VNO -NCW. “Ik zie het aantrekkelijke daarvan niet in”.

De vakbeweging brengt hier tegenin dat bedrijven helemaal niet eerder dicht hoeven en dat werknemers best bereid zijn loon in te leveren. Dat wil zeggen: loonruimte. “Wij kiezen voor het scenario met weinig produktie-uitval, een gematigde produktiviteitsstijging en looninlevering”, zegt beleidsmedewerker Kees Korevaar van de Industriebond FNV. “In de praktijk zie ik dat overal afspraken worden gemaakt tussen het management, de vakbond en de ondernemingsraad over het zoveel mogelijk op peil houden of zelfs verlengen van de bedrijfstijd”. Bovendien is de bond volgens hem bereid drie jaar achtereen 1,5 procent van de loonruimte in te leveren ten behoeve van de 36-urige werkweek. “Bij Akzo Nobel hebben de dagdienstmensen in drie jaar tijd ook 4,5 procent minder loonstijging gekregen dan de ploegendienstwerkers”, aldus Korevaar. De loonruimte wordt door de Industriebond overigens ruim bemeten, als optelsom van de verwachte prijs- en produktiviteitsstijging in de industrie. Dit jaar gaat het dan om 5,5 procent.

Philips en de vakbonden overleggen inmiddels informeel al weer.