Dialect

Als dialectspreker voel ik me aangesproken door de arrogantie waarmee Beatrijs Ritsema meent het dialect als een gepasseerd station af te kunnen doen (6 maart). Ze stelt dat het de 'Nedersaksers' (over de gekunsteldheid van deze term, zie Jo Daan in de krant van 29 februari) er om te doen zou zijn in de toekomst in hun eigen taal literatuur en lectuur te kunnen genieten. Ritsema typeert deze lezer laatdunkend als een 'boertje van buut'n' in zijn 'schommelstoel bij het licht van een olielampje', slachtoffer van het gilde van dialectologen. Deze zouden zich bezighouden met 'stompzinnige folklore'. Vanwaar deze woede? Vanwaar polemische opmerkingen als die over de sollicitatiebrief in het Nedersaksisch?

Nu de vanzelfsprekendheid van het gebruik van de streektaal sterk verminderd is, bezint men zich op het eigene. Het gaat daarbij niet in de eerste plaats om zaken als eigen literatuur en spelling. Dialect is allereerst spreektaal. Voor mij als dialectspreker is de eigen taal een vorm van thuiskomen.