De hogere danswiskunde van Krisztina de Châtel

Stalen Neuzen, woensdag 13 maart, Ned.3, 21.08u.

De choreografe Krisztina de Châtel staat op een stijlvol vervallen binnenplaatsje in haar geboortestad Boedapest. Vanuit een deuropening zoekt een vrouw met zangerige stem contact met haar. De Châtel antwoordt met een paar beheerste danspassen. Een achteruit, een vooruit, steeds opnieuw. Alsof ze wel naar die vrouw toelopen wil, maar niet kan. Of alsof ze wel kan, maar niet wil.

Op dat moment is de film Stalen Neuzen, die de NPS morgen uitzendt, als dansfilm geslaagd. Want de makers Erik van Zuylen (scenario en regie), Conrad van de Ven (vormgeving) en de choreografe zelf hebben het werk van De Châtel alleen al in dat ene beeld raak weten te portretteren.

Krisztina de Châtel, die in 1976 in Nederland haar gelijknamige dansgroep oprichtte, is een choreografe die zich in toom wil houden. Veel van haar dansvoorstellingen zijn dan ook moeilijk te doorgronden. Ze doen denken aan hogere wiskunde, met geometrische figuren en een afgebakende verzameling van bewegingen die eindeloos worden herhaald. Emoties worden gewikt, gewogen en uiteindelijk in de strenge vorm van de choreografie geordend tot ze bijna onvindbaar zijn. In het theater oogt het werk van De Châtel daardoor soms bikkelhard, wat af en toe irriteert.

Stalen Neuzen laat zien dat er wel degelijk temperament in het strikte werk van De Chatêl verscholen ligt. De zeven dansers van haar groep zwerven in de film aanvankelijk wat verloren door Boedapest. Langs een ijzeren brug lopen ze, door een metrostation, ze hangen wat rond op een vluchtheuvel. De stad maakt ze kwetsbaar, ze horen er duidelijk niet thuis. De stevige danspassen die hier en daar worden gezet zijn brozer en vriendelijker dan ze in het theater leken, omdat ze tegen het volle leven van deze omgeving niet opgewassen zijn.

Steeds weer verplaatst de camera zich naar een wijngaard op het Hongaarse platteland. Met stevige soldatenkistjes aan de voeten wordt daar door de groep gehold, gevallen, en als altijd met kortaffe, afgemeten bewegingen gedanst. De kaarsrechte rijen met wijnstokken, de bulldozer die al even strenge lijnen geulen graaft en vooral het rulle zand waar de dansers met zacht ploffende voeten doorheen zwoegen; het blijkt allemaal volmaakt bij het werk van De Châtel te passen. Hier, waar de chaos volstrekt afwezig is, stellen de dansers zich dan ook pas op volle sterkte teweer. Maar ze ploeteren tegen niets dan zand.

Het bedwingen zelf, daar blijkt het om te gaan. Stalen Neuzen laat in prachtige beelden zien hoe dwingend De Châtels wil tot beheersing zelfs zonder aanleiding kan zijn, en voegt daarmee iets aan haar werk toe dat in het theater niet altijd zo helder zichtbaar werd gemaakt.