De gekte van Van Beuningen

AMSTERDAM. Eigenlijk zou er een gedenkplaat moeten komen op het pand Amstel 216, een mooie koperen gedenkplaat. Het enorme zeventiende-eeuwse herenhuis ligt tussen de Heren- en de Keizersgracht, en de natuurstenen gevel wordt gebroken door de grootste glazen die ik ken, ramen waarachter zich paleizen van kamers moeten verschuilen. Gisteren was ik er even op bedevaart. De zon scheen, er voer een bootje over de Amstel, links dreunde een tram over de Blauwbrug, aan de overkant draaide een enorme cementschuit de Nieuwe Herengracht in, tegen de boom stond een wrakke fiets, en ik dacht aan Coenraad van Beuningen.

Op deze plek beleefde hij zijn zwartste uren, in dit huis maakte deze Hollandse topdiplomaat die kleine stap van genialiteit naar totale waanzin, vanaf deze stoep rende hij in de winter van 1689 's nachts razend en tierend de straat op, tegen zijn deftige buren roepend dat het 'Rijk Christie' op aarde aanstaande was en bonzend op de deuren vanwege de “onuitdunkelijke lethargie in welke de ingezetenen van deze stad liggen”. Hij pakte een stuk rood krijt - sommigen zeggen dat hij zijn polsen opensneed - en krabbelde Hebreeuwse letters op de voorgevel van zijn huis, hij tekende er zeilschepen op, pentagrammen, zijn eigen naam en die van zijn geliefde Jacoba, de vrouw die hem verraden had. Hij was zesmaal burgemeester van Amsterdam geweest, raadsman van stadhouder Willem III, en hij overleed in 1693, bijna al vergeten en totaal geruïneerd.

Het pand is nu in appartementen verdeeld, er wonen opnieuw keurige mensen, maar ondanks de inspanningen van allerlei twintigste-eeuwse schoonmaakbedrijven is de graffiti van Van Beuningen tot op de dag van vandaag zichtbaar: sterren, een zeilscheepje, iets als Van Buenige, Jacoba. In zekere zin heeft Van Beuningen zelf zijn gedenkplaat geschapen. Coenraad van Beuningen was de Henry Kissinger van de Nederlandse Gouden Eeuw. Hij was, tussen zijn burgemeesterschappen door, gezant in Zweden en Frankrijk, hij was een briljant onderhandelaar en een schoolvoorbeeld van de mercator sapiens, de koopman-geleerde. Toch voorzag zelfs van Beuningen niet wat er in 1672 zou gebeuren. De klassieke Nederlandse politiek van het tegen elkaar uitspelen van Engeland en Frankrijk faalde en opeens werd de nog jonge Republiek van vier kanten tegelijk aangevallen: door Engeland, Frankrijk, Munster en Keulen. De Franse Zonnekoning marcheerde op tot de Hollandse Waterlinie, liet in de Utrechtse Dom de mis lezen en vanuit zijn paviljoen in Zeist dicteerde hij de meest vernederende vredesvoorwaarden: de Staten-Generaal moest jaarlijks een afvaardiging naar Versailles sturen met een penning waarop de Nederlanders hun diepe berouw betuigden, hun onderwerping van het koninklijke gezag hernieuwden en hun eeuwige dankbaarheid betoonden voor zijn welwillende barmhartigheid.

Stadhouder Willem III trad echter uiterst voortvarend op en won tijd. Nederland sloot zich aaneen, mede dankzij de geslepen diplomatie van Van Beuningen werden de gelegenheids-bondgenoten Engeland en Frankrijk uit elkaar gespeeld, en zo werd uiteindelijk de Republiek gered. Maar de verbijstering over deze onverhoedse overval bleef nog jaren bestaan, niet in de laatste plaats bij Van Beuningen, die sindsdien visioenen had over hoeren van Babylon, zevenkoppige monsters en Lodewijk XIV in de rol van een Nebukadnezar. Want zelfs deze topdiplomaat, gewend aan economische belangen, had volstrekt de haat onderschat, de pure haat die de vrijmoedigheid, de spotprenten en de verboden boeken van het tolerante Holland bij deze absolute monarchieën hadden opgeroepen. Toen begon de gekte van Van Beuningen. Natuurlijk waren de Nederlanders niet naïef. Ze wisten, zoals een resolutie van de Staten van Holland het in 1646 uitdrukte, “dat de nature van de Fransche natie kittelachtigh en onrustig is”. Maar ze hadden geen idee dat hun burgerlijke zelfverzekerdheid, hun handelswelvaart, hun ordelijk anarchisme, hun vrijheid en hun humanisme bijna niet te verenigen was met de hiërarchisch geordende maatschappij die hun buurlanden nastreefden. Ze zagen de Franse en Engelse woede voornamelijk als theater, en ze cultiveerden hun eigenzinnigheid eerder dan iets ervan los te laten. Zij waren immers de nazaten van Israel, 'het uitverkoren volk' - een parallel die de calvinistische predikanten zondag na zondag verkondigden.

Met name buitenlandse auteurs zouden later veel aandacht besteden aan dit altijd sluimerende mentaliteitsconflict, waar merkwaardig genoeg de meeste Nederlanders zelf blind voor bleven. In zijn 'Overvloed en Onbehagen' wijdt Simon Schama bijvoorbeeld vele pagina's aan het fenomeen. In talloze zeventiende-eeuwse prenten en beschouwingen werd Holland neergezet als een ketterse bazaar, bevolkt door jeneverzuipers en stinkende tabakrokers, die de ene pijp met de andere aanstaken. De Nederlanders waren bot, zo verkondigden de Engelse en Franse polemisten, ze “teerden als parasieten op rebellie”, ze hadden een “mestvaaltziel”, en daarom waren ze ongevoelig voor de regels van rang en eer waaraan de rest van de wereld zich hield. “De laconieke verdraagzaamheid van de Republiek was vooral onaanvaardbaar omdat ze als besmettelijk werd beschouwd”, zo schrijft Schama. En het belangrijkste middel waarmee dit “pestinduct” van Europa werd verspreid was de drukpers, waren de pamfletten en de schotschriften waarmee de orde van de andere landen onophoudelijk werd ondermijnd.

De Franse historicus Christophe de Voogd beschrijft het 'rampjaar' 1672 dan ook bovenal als een botsing tussen sociaal-politieke modellen, die alsmaar verder escaleerden omdat de Nederlanders zich niet konden voorstellen dat andere landen wel eens andere uitgangspunten konden hebben bij hun buitenlandse beleid. Dus niet alleen 'vrede, winst en principes' - eeuwenlang het adagium van de nuchtere Hollanders - maar bijvoorbeeld ook ordinaire machtshonger, of kil cynisme, of het nastreven van glorie. Of gewoon panische angst. Coenraad van Beuningen hield in 1672 het hoofd koel. Met zijn ouderwetse Hollandse nuchterheid en koopmansgeest wist hij de zaken al vrij snel weer naar zijn hand te zetten. Maar die onverwachte explosie van Holland-haat heeft vrijwel zeker fatale sporen getrokken in zijn latere leven. Hij werd paranoïde, verliefd, verspeelde fortuinen en zag de eindtijd naderen. Zoiets is een gedenkplaat waard, meer nog, een monument, een on-Hollands monument.