Borst voor toetsingscommissie; 'Doden baby met zware handicap is geen moord'

NIJMEGEN, 12 MAART. Minister Borst (Volksgezondheid) vindt het “veel te zwaar” om artsen die het leven beëindigen van niet levensvatbare pasgeborenen terecht te laten staan voor moord.

“Misschien hebben ze juridisch gezien een scheve schaats gereden, maar moreel gezien zijn het geen moordenaars.” Dit zei Borst gisteren tijdens een discussiebijeenkomst van D66 over de grens van leven en dood in Nijmegen.

De minister onderzoekt samen met collega Sorgdrager (Justitie) de mogelijkheden voor de invoering van een toetsingscommissie, bestaande uit ethici, juristen en medici, die levensbeëindigend handelen en euthanasie door artsen moet beoordelen. “Volgens het wetboek is de arts een moordenaar die wordt gesteund door de ouders van de vermoorde. Maar zo voelen we dat natuurlijk niet”, aldus Borst.

De minister noemde het instellen van een toetsingscommissie gisteren “een hele goede gedachte”. Het oordeel van de commissie, dat wordt geveld nadat de persoon is overleden, moet volgens haar aan het Openbaar Ministerie worden voorgelegd. “Als de commissie geen bezwaar aantekent zou het mooi zijn als er zoveel vertrouwen is dat geen vervolging volgt”, aldus Borst. Maar het kabinet wil eerst de evaluatie van de meldingsprocedure voor euthanasiegevallen afwachten voordat een commissie wordt ingesteld. De evaluatie moet dit najaar verschijnen.

Voor het actief beëindigen van het leven van zeer ernstig gehandicapte pasgeborenen bestaat op dit moment geen wetgeving. Het Wilhelmina Kinderziekenhuis in Utrecht is de laatste vijf jaar zes keer tot actieve levensbeëindiging overgegaan omdat volgens neonatoloog H. Brouwers de handicap van het kind “te ernstig was”. De gynaecoloog H. Prins is door Justitie vervolgd, omdat hij na overleg met de ouders in maart 1993 het leven had beëindigd van een drie dagen oude baby die zeer ernstig gehandicapt ter wereld was gekomen. Minister Sorgdrager wil door middel van proefprocessen tegen de kinderarts jurisprudentie verkrijgen.

De rol van de ouders zal volgens Borst in één of andere regelgeving moeten worden vastgelegd. “De verantwoordelijkheid ligt bij de arts, maar de ouders moeten niet tot iets gedwongen worden. Het kan ook zo zijn dat het kind in zo'n situatie terecht komt dat de ouders niet verder willen. Je kunt het kind niet vragen of het verder wil leven. Soms moet er toch een beslissing worden genomen. Het leven is nou eenmaal niet eenvoudig”, aldus Borst.

De voortschrijdende medische technologie in de gezondheidszorg heeft er volgens Borst toe geleid dat de strijd tegen de dood niet meer het hoogste doel is. Het verzachten van het lijden krijgt volgens haar meer en meer het accent. “In Nederland is ruim plaats voor mensen met een handicap en dat blijft zo. Maar als een kindje aan het begin van het leven ernstig meervoudig gehandicapt is dan is het gerechtvaardigd als de ouders verzoeken de behandeling te stoppen”, zegt Borst. Medisch ethicus H. ten Have vindt het geen goede ontwikkeling als de medische praktijk de rechtvaardiging voor levensbeëindiging gaat vormen. “Daarom willen we ook een toetsingscommissie instellen waar behalve artsen ook ethici en juristen in zitten”, aldus Borst.