Bangladesh heeft politieke druk nu harder nodig dan meer hulp

In de ontwikkelingshulp ligt de nadruk steeds meer op 'goed bestuur' in het ontvangende land. Maar als de hulp aan Bangladesh, verlamd door een politieke crisis, nu gewoon wordt voortgezet, blijft dat ideaal volgens Floris van Straaten een schone droom.

Enkele jaren geleden werd binnen de trendgevoelige internationale hulpverleningsgemeenschap good governance, goed bestuur, uitgeroepen tot een van de nieuwe toverwoorden. Waarom dat niet al eerder was gebeurd, is niet duidelijk, maar het was goed dat het vitale belang van een functionerende regering met bijbehorend ambtelijk apparaat werd ingezien. Zonder dat aan die voorwaarde is voldaan is hulpverlening vaak verspilde moeite.

Uiteraard valt er over te twisten hoe je de doelmatigheid van de regering en de ambtenaren meet, maar vooral gevallen van apert wanbestuur springen meestal makkelijk in het oog. Bangladesh is daarvan een voorbeeld. Al twee jaar is de politieke klasse gewikkeld in een even uitzichtloze als desastreuze vendetta, die de jonge Bengaalse democratie geheel dreigt te verstikken en de net uit een diep dal geklommen economie opnieuw verontrustend dalwaarts duwt.

Het land heeft zojuist parlementsverkiezingen achter de rug, die door de oppositie werden geboycot en waaraan uit angst voor ongeregeldheden slechts door hooguit tien procent van de kiezers werd meegedaan. Van de hoop na de eerlijke verkiezingen van 1991, die een einde maakten aan jaren van militaire dictatuur, is niet veel meer over.

Hoofdschuldigen aan dit debâcle zijn premier Khaleda Zia en oppositieleidster Sheikh Hasina Wajed. Beide dames weigeren ook maar een centimeter aan elkaar toe te geven. Hun strijd heeft weinig of niets te maken met inhoudelijke verschillen. Over de problemen van het land hebben ze het zelden. Hasina vindt dat haar rivale koste wat kost moet aftreden, kennelijk in de hoop dat zijzelf dan eindelijk op haar stoel kan gaan zitten.

Hasina schroomt niet bijna wekelijks algehele stakingen uit te roepen, die het toch al straatarme land verlammen, zeker dertig miljoen dollar per keer kosten en door de rellen die er meestal uit voortvloeien al aan tientallen mensen het leven hebben gekost. Aanbiedingen van de premier om opnieuw rond de tafel te gaan zitten, wijst ze categorisch van de hand. Buitenlandse investeerders laten Bangladesh intussen steeds vaker links liggen.

Khaleda Zia, die Sheikh Hasina als de bron van alle ellende beschouwt, weigert halsstarrig af te treden. Aanvankelijk had ze als hoofd van een democratisch gekozen regering recht van spreken, maar na de schertsverkiezingen van vorige maand is haar positie veel zwakker. Het zou beter zijn indien ze na een grondwetswijziging plaatsmaakte voor een neutrale overgangsregering, zoals de oppositie lang voor de verkiezingen ten onrechte maar nu met meer geloofwaardigheid heeft geëist. Daarna zouden er nieuwe, eerlijke verkiezingen kunnen worden gehouden.

Intussen zijn Khaleda Zia en haar Nationale Partij van Bangladesh (BNP) al jaren druk bezig het in theorie onpartijdige ambtelijke apparaat en zelfs de rechtspraak en instituties als de kiescommissie naar hun hand te zetten. Dat gebeurt via partijdige benoemingen en druk van de kant van de regering. Incompetentie en corruptie vieren hoogtij in dit klimaat.

Buitenlandse vertegenwoordigers in Bangladesh slaan het schouwspel verdrietig gade. Er zijn enkele pogingen, onder andere door het Gemenebest en de Verenigde Staten, ondernomen om een compromis in elkaar te timmeren, maar die liepen vast op de onwrikbare houding van de twee politieke kopstukken.

Maar moet de buitenwereld het bij deze tamelijk passieve houding laten of kan er meer worden gedaan om het tegenwoordig zo vaak bezongen ideaal van goed bestuur naderbij te brengen? Kunnen de donorstaten bij voorbeeld de hulpkraan niet wat dichtdraaien? Bangladesh is nog steeds voor zeker 7 procent van zijn Bruto Nationaal Produkt afhankelijk van buitenlandse hulp. Het wegvallen daarvan zou een gevoelige slag zijn voor het land.

Lange tijd was het taboe zich in de binnenlandse aangelegenheden van andere landen te mengen. Maar het respect voor corrupte, incompetente dan wel meedogenloze regimes lijkt de laatste jaren afgenomen. De buitenwereld heeft zich vergaand bemoeid met de binnenlandse aangelegenheden van landen als Irak, Somalië, Rwanda en het voormalige Joegoslavië en donorstaten deinzen er niet langer voor terug hun hulp te verminderen of zelfs te staken wanneer een regering het land in hun ogen niet goed genoeg bestuurt.

Interessant in dit opzicht is dat een vooraanstaand en algemeen gerespecteerde figuur als Fazle Hasan Abed, directeur van de grote Bengaalse hulporganisatie BRAC, openlijk pleit voor meer interventie van de donor-landen in Bangladesh. Tegenover deze krant verklaarde hij: “Ik denk persoonlijk dat de donoren niet alleen het recht maar ook de plicht hebben dat te doen.”

De Amerikanen hebben naar verluidt de strijdkrachten van Bangladesh al gewaarschuwd dat alle Amerikaanse hulp direct zou worden gestaakt indien de militairen een staatsgreep zouden plegen. Waarom kan zulke druk ook niet worden uitgeoefend op de civiele politici, die het land zo evident de soep in laten lopen? Zo slecht is het bestuur dat er hier en daar in Bangladesh al stemmen opgaan om een militaire staatsgreep. De zakenwereld heeft al gedreigd met een campagne van burgerlijke ongehoorzaamheid als de impasse voortduurt.

Sommigen in Dhaka roepen dat door de hulp te beperken of zelfs geheel te staken juist de armsten in het land het hardst zullen worden getroffen. Dat is zeker mogelijk. Maar het is evenzeer waarschijnlijk dat de armen te lijden hebben onder de economische verliezen die worden veroorzaakt door het huidige politieke conflict.

Anderen in Dhaka stellen dat het maar de vraag is of de dames wel gevoelig zijn voor zulke druk via de buitenlandse hulp. Zelf zullen ze daar de gevolgen niet van ondervinden. Het landsbelang speelt voor hen geen doorslaggevende rol. Ook dit tamelijk fatalistische argument van 'het verandert toch niets' is niet overtuigend. Indien de donorstaten achter de schermen eensgezind dreigen om én de hulp te staken én de dames in het openbaar aan de schandpaal te nagelen, als ze niet snel een compromis sluiten, kan dat wel degelijk van invloed zijn.

Weer anderen wijzen erop dat veel geld direct naar projecten voor de armen gaat, zonder dat de regering eraan te pas komt. Die hulp staken zou alleen contraproduktief zijn. De hulporganisaties houden in afwezigheid van de regering het land draaiende. Ook dit argument bevredigt niet. Door de hulp gewoon voort te zetten, worden de ruziënde politici niet tot een andere houding gebracht en wordt het land nooit aangemoedigd volwassen verantwoordelijk bestuur te ontwikkelen. Zo blijft het ideaal van goed bestuur altijd een droom.

Minister Pronk zou er dan ook goed aan doen om samen met zijn collega Van Mierlo op korte termijn overleg met andere internationale donoren te voeren om Bangladesh en in het bijzonder de ruziënde dames een stevige duw richting goed bestuur te geven. Ruim honderdtwintig miljoen, veelal straatarme Bengalen zijn daar meer mee gediend dan met een altijd maar doorvloeiende hulpkraan.