Archiefbeeld

Het werd een poosje geleden nog opgeschreven door Maaike Helder in de Volkskrant: er is bijna geen man van tachtig die, maatschappelijk succesvol, nog getrouwd is met de vrouw waarmee hij ooit begon. Het ging toen natuurlijk over Mitterrand en de twee vrouwen aan zijn graf.

De man waar dit verhaal over gaat, zou nu ook zo oud moeten zijn. Ik zou zijn leeftijd kunnen opzoeken want bekend is hij voldoende en succesvol was hij ook altijd. Maar dat hoeft niet. Toen, tien jaar geleden, leek hij me eind zestig. Ik zag hem bijna iedere week. Het raam van de kamer van het grote huis waar ik werkte in het familie-archief, keek uit op een ander huis, kleiner maar minstens zo mooi. Het was altijd op een vrijdagochtend en altijd rond tien uur dat de man daar bij het hek stond van de tuin. Het was een lange, rijzige man. Hij moest zich diep bukken om het hekje open te krijgen. Dat duurde altijd maar even want hij kende de grendel. Tenslotte had hij zelf heel lang in het huis gewoond.

Ze waren nooit gescheiden, had mijn gastvrouw mij een keer verteld, maar hij was wel al heel lang weg. Vijftien jaar misschien al wel. Hij was haar blijven opzoeken, de laatste jaren zelfs wat regelmatiger. En hij had haar het huis gelaten. De tuin doet ze nog steeds alleen, vertelde mijn gastvrouw ook. Het was een prachtige tuin. In de zomer dat ik in het archief zat, volgden de rozen elkaar op in bloei en als ik het raam open had, kon ik ze soms ruiken.

Vanaf het moment dat de man het hek openmaakte, had zijn bezoek een bijna ritueel verloop. Hij liep haastig over het tuinpad en belde aan. Vrijwel op hetzelfde moment deed zijn vrouw open en altijd verbaasde ik me erover dat de honden niet hadden aangeslagen. Na een uur kwamen ze dan samen naar buiten. Ik kon hen niet verstaan maar zag hoe ze vrolijk en enthousiast met elkaar praatten. Zij liet van alles zien in de tuin en soms liepen ze even naar de honden.

Wat is het toch een mooie oude vrouw, dacht ik iedere keer weer. De sierlijke bewegingen van haar handen als ze hem de rozen liet zien, haar grijsblonde krulletjeshoofd, de nog steeds zo jonge stem waarmee ze de honden terugstuurde. Maar vooral de fierheid waarmee ze het afscheid ongdwongen liet zijn, de elegantie waarmee ze zijn altijd merkbare gêne overspoelde. Ze vormden een prachtig paar zoals ze daar stonden. Dan hielp ze hem bij het lage hek en ging hij weg. Een kaarsrechte oude man, op weg naar zijn vriendin. Zij liep terug over het pad en ging meteen naar binnen.

En iedere keer als ik het zag gebeuren, dat hele, door hen beiden gedragen en zo liefdevolle ritueel, had ik het gevoel getuige te zijn van iets dat verschrikkelijk was.