Suharto's kinderen lopen minder bedrijfsrisico

JAKARTA, 11 MAART. Twee dagen nadat PT Timor Putra, een jong bedrijf dat personenauto's gaat assembleren in het Westjavaanse Cikampek, de prototypes van zijn gloednieuwe 'Timor' liet paraderen voor president Soeharto, kreeg het van de Indonesische regering een aanmoedigingsprijs. Minister van handel en industrie Tunky Ariwibowo verhief de nieuwe middenklasser tot 'nationale auto' en verleende de producent de titel van 'industriële pionier'.

Dat zijn nieuwe kwalificaties die krachtens een presidentiële instructie van 19 februari j.l. zullen worden verleend aan assemblagebedrijven die volledig in Indonesische handen zijn, auto's op de markt brengen onder een Indonesische merknaam en wier product van het begin af aan voor minstens twintig procent uit binnenlands geproduceerde onderdelen bestaat. Binnen drie jaar moet dat aandeel zijn gestegen tot zestig procent.

PT Timor Putra is tot dusverre de eerste en enige producent die in de prijzen valt. Een ieder zou deze voorsprong toeschrijven aan de merites van het product en industriepolitieke maatstaven van minister Tunky's departement, ware het niet dat de 'pionier', een joint venture met het Zuidkoreaanse bedrijf KIA Motor Corporation, voor 35 procent eigendom is van Hutomo ('Tommy') Mandala Putera, de jongste zoon van president Soeharto. Van de overige aandelen is 35 procent in handen van het Indonesische assemblagebedrijf PT Indauda, agent van het merk Holden, en 30 procent van KIA.

Minister Ariwibowo zei dat de maatregel is bedoeld om 's lands au>>> EINDE KOLOM upon to-industrie een steuntje in de rug te geven en haar concurrentiepositie te versterken. Volgens de bewindsman importeert Indonesië jaarlijks voor 3,5 miljard dollar aan autocomponenten en voert het voor slechts 200 miljoen dollar aan auto's uit. Binnenslands geproduceerde personenwagens vallen in het belastingtarief voor luxe artikelen, dat wil zeggen 35 procent.

Industrie en politiek reageerden geprikkeld. F. Soeseno, secretaris- generaal van het Indonesische Verbond voor de Motorvoertuigenindustrie (Gaikindo), dat 22 agentschappen verenigt van in totaal 26 buitenlandse merken, vreest dat de Timor door zijn lage prijs een schok zal veroorzaken op de Indonesische markt.

Subronto Laras, president van de Indomobil Groep, de op één na grootste automobielproducent van Indonesië, acht het uitgesloten dat de binnenlandse concurrentie een middenklasser op de markt kan brengen voor 35 miljoen rupiah (ongeveer 25 duizend gulden), de prijs die 'Tommy' potentiële klanten heeft voorgehouden, als de tarieven en belastingen voor in Indonesië geproduceerde auto's niet worden verlaagd. Middenklassers van Indonesische makelij, de Toyota Starlet en de Kijang ('hert') - eveneens van Toyota -, kosten respectievelijk 48 en 44 miljoen rupiah.

Budi Hardjono, lid van de vaste parlementscommissie voor handel en industrie, waarschuwde dat “discriminerende regelingen Japanse investeerders kan bewegen hun assemblagebedrijven naar elders te verplaatsen”. De Japanse krant Nikkei Sangyo Shimbun schreef: “Hier past alleen nog een politiek antwoord”. Alleenvertegenwoordigers van buitenlandse >>> EINDE KOLOM upon merken in Indonesië zijn van mening dat de Timor ten onrechte de titel van 'nationale auto' heeft gekregen. Zij wijzen erop dat 30 procent van de assemblagefabriek in handen is van KIA Motors Corporation, dat ook het ontwerp en de technologie levert. De concurrentie is van mening dat Tommy's PT dezelfde behandeling verdient als de andere assemblagebedrijven. Minister Tunky Ariwibowo, desgevraagd: “Ik ga over industrie en >>> EINDE KOLOM upon handel, niet over politiek”.

Tunky beheert één van de zwaarste portefeuilles van het Indonesische kabinet. Sinds het ministerie van handel afgelopen najaar werd opgeheven, is hij verantwoordelijk voor zowel industriële ontwikkeling als internationale handel. De minister maakte carrière in de staalindustrie en geldt als een bekwame technocraat. Hij is voorstander van tarievenverlaging, zowel regionaal - in ASEAN- en APEC-verband - als >>> EINDE KOLOM upon in het kader van de Wereldhandelsorganisatie (WTO). Zo bezien past de lastenverlichting voor PT Timor Putra in een beleid gericht op versterking van de industriële structuur én geleidelijke afbraak van handelsbarrières. Maar er schuilt een addertje onder het gras dat nepotisme heet.

Een andere steen des aanstoots, tevens een toetssteen voor het Indonesische vrijhandelsstreven, staat in de buurt van Cilegon, een paar uur rijden ten westen van Jakarta.

Daar ging vorig jaar september het grootste petrochemische complex van Zuid-Oost Azië in bedrijf, dat het aardoliederivaat nafta verwerkt tot propyleen, ethyleen en polyethyleen, grondstoffen voor de kunstgaren- en plasticsindustrie.

Eigenaar van het complex, waarmee een investering is gemoeid van 1,9 miljard dollar, is de joint venture onderneming PT Chandra Asri.

Grootaandeelhouder en president-commissaris is Bambang Trihatmojo, de tweede zoon van president Soeharto.

Eind 1994 vroeg de raad van bestuur van Chandra Asri regering en parlement in te stemmen met een invoerheffing van 35 tot 40 procent op produkten die Chandra Asri zou gaan maken. De protectie zou acht jaar moeten duren en jaarlijks met 4 à 5 procent moeten worden verminderd. Dat het tij aan het keren is, bleek uit het spervuur van vragen uit het parlement. Economen waarschuwden dat een dergelijke heffing de talrijke verwerkende industrieën in moeilijkheden zou brengen en de volkshuishouding op hoge kosten zou jagen. Die stelling werd onderstreept door een Japanse textielfabrikant, die dreigde uit te wijken naar Vietnam als het verzoek zou worden ingewilligd. Enkele weken >>> EINDE KOLOM upon vóór de officiële opening liet minister Tunky weten dat Chandra Asri het moest stellen zonder enige tarievenprotectie. Voorstanders van liberalisering spraken van een doorbraak, maar ze juichten te vroeg.

Chandra Asri's voornaamste afnemer van propyleen is PT Tri Polyta Indonesia, een bedrijf dat polypropyleen maakt en is genoteerd aan de Nasdaq-beurs van New York. Het neemt momenteel 60 procent van zijn propyleen af van Chandra Asri en importeert de rest.

Vorige maand meldde een woordvoerder van Tri Polyta in New York dat de propyleenimporten per 2 februari onderhevig waren aan een invoertarief van 5 procent en een 'extra heffing' van 20 procent. Desgevraagd bevestigde minister Tunky de maatregel. Die zou 'een versterking beogen van Indonesië's basisindustrie'. De verwerkende industrie zou hier geen nadeel van ondervinden, meende de minister, want de invoer van het tussenprodukt polypropyleen zou onderhevig blijven aan een importtarief van 20 procent en een superheffing van nog eens 20 procent.

Een en ander is niet alleen in strijd met Tunky's mededeling van september, maar ook met het kabinetsbesluit van juni 1994 dat verhoging van invoertarieven ter bescherming van nieuwe productiecentra uitsluit, tenzij buitenlandse petrochemische bedrijven hun produkten dumpen op de Indonesische markt. Voor dumping van propyleen in Indonesië bestaan geen aanwijzingen.

Minister Tunky hanteert industriepolitieke argumenten ter rechtvaardiging van een trendbreuk in zijn beleid van tarievenafbouw, ten faveure van een bedrijf met 'paleisconnecties'.