Stijlvaste toneelversie 'Mystiek lichaam'

Mystiek Lichaam naar Frans Kellendonks gelijknamige roman door Het Nationale Toneel. Bewerking: Johan Doesburg/Ariane Schluter. Regie: Johan Doesburg. Decor: André Joosten. Spel: Hans Croiset, Ariane Schluter, Jeroen Willems e.a. Gezien: 8/3, Theater a/h Spui, Den Haag. Aldaar t/m 23/3. Tournee t/m mei. Inl. 070-3465272 of 070-3565363.

Als een stripverhaal zo grotesk is de toneelvoorstelling van regisseur Johan Doesburg naar Frans Kellendonks roman Mystiek Lichaam. Hij heeft er een spel van isolement en overdrijving van gemaakt. De scènes zien eruit als met een zwarte kaderlijn begrensde plaatjes, vol grimassen, kolderieke botsingen, uitroepen en schermutselingen. Het zijn uitsneden uit het geheel waar de blik van de toeschouwer op gericht wordt; het geheel zelf, een vrijwel lege zwarte doos, wordt intussen tot in de verste uithoeken wel een keer bespeeld. Geen zetstuk staat verankerd, tafels en stoelen, piano's en potkachels, ja, zelfs personen, komen op vlondertjes met wielen af- en aankarren.

Dat ziet er vrolijk uit, het verrast en het schept helderheid. Helderheid die ook de opbouw van de vertelling bezit. Die is dan ook in het boek simpel. Magda alias Prul, wispelturige dochter van de sjacheraar en vrek A.W. Gijselhart, komt thuis. Ze blijkt zwanger, nog wel van De Jood in haar leven. De Gijselhart-menage, na enig initieel geharrewar tamelijk idyllisch (vader begint zowaar iets minder aan geld te denken), wordt weer verstoord door de terugkeer van de verloren gewaande zoon Leendert alias Broer, homoseksueel en lijdend aan de nieuwe ziekte, lees Aids. Later trekt ook De Jood in, Bruno Pechman alias Sallie Appelsien, vader van de inmiddels geboren Victor alias Torretje. Als het jonge gezinnetje uiteindelijk weer vertrekt blijven Gijselhart en zijn zoon, veroordeeld tot elkaar en de dood, achter.

Bewerkers Doesburg en Ariane Schluter (die Magda speelt) volgen het boek nauwgezet, geruggesteund door Kellendonks schitterende dia- en monologen. In de regie wordt de geestige stijl van het boek alle recht gedaan. De hysterie ligt er duimendik bovenop, in de vaart van de voorstelling en in het geëxalteerde spel en de gedurige stemverheffing van de acteurs, die op den duur overigens ook wel wat vermoeiend is. Prachtig is de restaurantscène aan het begin, als vader Gijselhart een gratis maaltijd versiert en zijn dochter, die niets doet dan praten en melding maakt van de ene na de andere rampspoed, maant toch vooral veel te eten. Het moment is een hoogtepunt in het grommende, getergde spel van Hans Croiset als Gijselhart.

Minder gelukkig geeft Jeroen Willems Broer Leendert gestalte. Het went, moet ik bekennen, maar de neurotische spasmen in zijn houding en stem lijken eerder een gevolg van de macht der gewoonte dan van een analyse van zijn personage. In het boek is Leendert deels woordvoerder van de schrijver, als hij al geen alter-ego is. Daarbij past een iets bezonkener gedrag.

Het neemt niet weg, dat de toneelversie van Mystiek Lichaam bewonderenswaardig stijlvast is. Maar zo goed als de stilistische kwaliteit van het boek getroffen wordt, zo bekaaid komt de portée er van af. Na publicatie werd het boek direct doelwit van beschuldigingen, het zou anti-homo en antisemitisch zijn. Niet vanwege de Archie Bunker-achtige meningen van Gijselhart maar vanwege de louter beschouwende passages, waarin bij voorbeeld gesteld wordt dat “flikkerij en jodendom (-) van hetzelfde overbodige laken een pak” zijn. Die vormen de prikkelende en, zo men wil, gevaarlijke kant van het boek.

In die zin is de voorstelling teleurstellend. Zeker, de anti-homoseksuele tirade van Broer is opgenomen en, meer in het algemeen, ligt het accent keurig op het primaat van de voortplanting, waaraan homoseksuelen niet deelnemen. Maar meer dan een karikaturale parodie en reli-filosofische clichés levert dat niet op. Doesburg en Schluter omzeilen de klippen zorgvuldig, het gevaar, dat wil zeggen de intrigerende essentie van het boek, gaan zij uit de weg.

Dat is jammer. Waar Kellendonk een mijns inziens onheldere maar moedige zoektocht naar de zin van leven en dood heeft ondernomen, bieden zij een portret van een gestoorde familie. Ze voeren wel de jood Pechman op, maar over De Jood, die vreemde pre-occupatie in het boek, zwijgen ze in alle talen, zoals ook het slot, Broers ode aan De Dood, is weggelaten. Hoe geslaagd kan men een bewerking van een boek die de kern negeert, noemen? Die noemt men hooguit onderhoudend.