Knickerbocker

Op 26 oktober 1809 plaatste de Evening Post in New York een kort bericht onder de kop 'Verontrustend'. Uit een pension in Mulberry-street, zo meldde de krant, was een kleine, oudere man verdwenen, genaamd Knickerbocker, gekleed in een oude zwarte jas en een steek. 'Er zijn redenen om aan te nemen dat hij ze niet allemaal op een rijtje heeft', vervolgde het bericht, dat besloot met een oproep om informatie.

Tien dagen later meldde 'een reiziger' in dezelfde krant dat Knickerbocker ergens langs de kant van de weg was gesignaleerd met een bundel kleren in zijn hand. Hij maakte een uitgeputte indruk.

Weer tien dagen later, op 16 november 1809, schreef de eigenaar van het pension, Seth Handaside, dat hij in de kamer van Diedrich Knickerbocker een lijvig manuscript had gevonden. Als Knickerbocker niet snel terugkeerde om zijn schulden te voldoen, zou Handaside het manuscript verkopen.

Kort daarop maakte uitgeverij Inskeep & Bradford bekend dat zij het boek van Diedrich Knickerbocker aan het drukken was. Op 6 december 1809 lag het in de winkels, onder de titel A History of New York, from the Beginning of the World to the End of the Dutch Dynasty, in twee delen, met een voorwoord van pensionhouder Handaside.

In literaire kringen in New York was vrijwel onmiddellijk bekend dat het boek in feite door Washington Irving was geschreven. Irving was toen 26 jaar oud. Hij had op een advocatenkantoor gewerkt en een reis door Europa gemaakt. Onder het pseudoniem Jonathan Oldstyle had hij stukjes in de krant van zijn broer geschreven, als Anthony Evergreen bijdragen geleverd aan een verzameling satirische schetsen en essays.

Eigenlijk had Irving een parodie willen schrijven op A Picture of New York, een reisgids uit 1807 van Samuel Latham Mitchill. Hij was er met zijn broer aan begonnen, maar die was op reis gegaan en gaandeweg besloot Irving een satirische geschiedenis te schrijven van Nieuw-Amsterdam, de Nederlandse kolonie uit de 17de eeuw. 'Het verbaasde mij', schreef hij later, 'hoe weinigen van mijn stadgenoten wisten dat New York ooit Nieuw-Amsterdam heette. Het bleek ook niemand een biet te kunnen schelen.' Irving presenteerde zijn boek als 'de enige Authentieke Geschiedenis van voorbije tijden'. Op het titelblad zette hij als motto, in het Nederlands: 'De waarheid die in duister lag,/ Die komt met klaarheid aan den dag.'

In werkelijkheid hield Irving zich alleen in de hoofdstukken over de autocratische Peter Stuyvesant aan de feiten. Elders paste hij een oude literaire truc toe: hij gebruikte de geschiedenis om actuele zaken aan de kaak te stellen. Zo kreeg Thomas Jefferson, de derde president van de Verenigde Staten, een Oudhollandse pruik op, net als de toenmalige burgemeester van New York. Diedrich Knickerbocker kreeg de rol van politieke commentator: hij onderbreekt zijn relaas regelmatig met politieke tirades waarin hij vooral voor een sterker Amerikaans leger pleit. Onder de Hollanders was alles beter, concludeert Knickerbocker, maar zijn schets van de oude kolonisten is juist lachwekkend: de Hollanders leken zich vooral om het roken van lange Goudse pijpen te bekommeren.

A History of New York was meteen een groot succes. De tweede druk verscheen in 1812, de derde in 1819. Het jaar daarop werd het boek voor het eerst in Engeland uitgebracht. In 1827 verscheen de Franse vertaling, in 1829 de Duitse (er is nooit een Nederlandse vertaling verschenen). De Duitsers voegden voor alle zekerheid 'Humoristische' aan de titel toe, bang om lezers op het verkeerde been te zetten. Irving was de eerste Amerikaanse auteur die internationaal doorbrak, en zijn stijl zou veel schrijvers beïnvloeden.

Ook in de taal liet Irving sporen na. Al vrij snel werd de naam Knickerbocker gebruikt voor 'New-Yorker van Nederlandse afkomst'. Het was geen scheldnaam, eerder een geuzennaam. Toen Irving zijn boek in 1848 grondig herzag, was de term Knickerbocker geheel ingeburgerd. Sommige oude Nederlandse families hadden hem zijn boek niet in dank afgenomen, schreef Irving, 'maar ik vlei mij met de gedachte dat veruit de meesten mijn vrolijke schetsen opvatten in de geest waarin ze vervaardigd zijn. En nu ik (-) zie dat de naam ervan zelfs een begrip geworden is en als een waarmerk wordt gehecht aan al wat men den volke wil aanprijzen, zoals Knickerbocker-genootschappen, Knickerbocker-verzekeringsmaatschappijen, Knickerbocker-stoomboten, Knickerbocker-omnibussen, Knickerbocker-brood en Knickerbocker-ijs, nu ik zie dat New-Yorkers van Nederlandse komaf zich erop laten voorstaan 'heuse Knickerbockers' te zijn, - nu meen ik te mogen aannemen dat ik de juiste snaar heb geraakt, dat mijn benadering van de goede oude Hollandse tijd en van de zeden en gebruiken die daarop teruggaan, overeenstemt met de gevoelens en gezindheid van mijn plaatsgenoten.'

Hiermee is nog verklaard waarom wij een wijde kniebroek, waarvan de pijpen onder de knie met riempjes zijn vastgezet, een knickerbocker noemen. Irving beschreef de 17de-eeuwse Hollandse dracht uitvoerig. In navolging van de Oxford English Dictionary beweren veel woordenboeken dat de kniebroek zijn naam dankt aan de illustraties die de beroemde Britse illustrator George Cruikshank in 1834 voor A History of New York maakte. Maar in feite werd Diedrich Knickerbocker al in 1812, in de tweede druk van Irvings boek, door William Strickland afgebeeld in een Oudhollandse kuitbroek. Hoe het ook zij, omstreeks 1860 maakte de knickerbocker in Engeland deel uit van het uniform van de Rifle Volunteers. Vervolgens droeg men de broek als vrijetijds- of sportkleding en vanaf omstreeks 1890 combineerden vrouwen knickerbockers - toen al verkort tot knickers - met een norfolkjasje.

Genealogen hebben aangetoond dat de familienaam Knickerbocker in de 17de eeuw in Nieuw-Nederland echt voorkwam. In het telefoonboek van Manhattan staan nu nog twee nazaten: Patrick en T. Knickerbocker. Over de herkomst van deze familienaam is geruzied, maar er kan geen twijfel over bestaan, uiteindelijk danken alle knickerbockers hun naam aan een eerbiedwaardig Oudhollands beroep: de knikkerbakker.