JURRE HAANSTRA OVER Musicalmuziek

A Musical Century: première 16/3 Concertgebouw Haarlem; tournee t/m 11/5.

“In Nederland heerst niet zo'n grote musicaltraditie. Als je in Londen op West End komt, zie je dat het publiek bestaat uit een heel verschillend slag mensen. Het is daar echt een vorm van volksvermaak. Dat is bij ons nog niet hetgeval, ondanks de enorme inspanningen van Joop van den Ende.”

Jurre Haanstra (Amsterdam, 1952) werd opgeleid aan het Rotterdams Conservatorium, componeerde muziek voor meer dan dertig films en tv-series en dirigeert vanaf deze week een dertigmansorkest in de theaterproduktie A Musical Century, met de solisten Bas Groenenberg, Simone Kleinsma, Vera Mann en Ernst-Daniël Smid. De voorstelling staat geafficheerd als theaterconcert; de verhaallijnen uit de gekozen musicals blijven achterwege. Uit sommige musicals worden selecties gebracht en uit andere afzonderlijke liedjes, in totaal ruim vijftig.

“De belangrijkste functie van het musical-lied is dat het op een specifieke plek binnen het verhaal de juiste rol vervult. De liedjes moeten dus in dienst staan van het drama. Uit goede musicals komen ook altijd wel liedjes bovendrijven die buiten de context geplaatst kunnen worden, en die zich daarom uitstekend laten coveren. Liedjes die deze meerwaarde bezitten, zijn vaak ballads, de dramatische hoogtepunten uit een stuk. Somewhere, uit West Side Story, is een goed voorbeeld. Iedereen kent het, ook al is het maar een heel kort nummer. Zogenaamde showstoppers, de grote pauzefinales en finales waarin het hele ballet uitrukt en orkest en solisten tot een zinderende climax komen, zijn over het algemeen ook heel goed te isoleren uit het oorspronkelijke verhaal.

“In Nederland zijn de meeste musicalprodukties relatief kleinschalig. Wij zitten hier altijd met een lagere publieksopkomst en bescheidener budgetten. Een groot orkest zoals A Musical Century heeft, komt bij ons zelden voor. Kwantitatief ligt de musical in Nederland gemiddeld dus op een wat lager niveau, maar kwalitatief zeker niet.

“De musicals van Annie Schmidt en Harry Bannink zijn sterk gelieerd aan de Nederlandse cabarettraditie. Ze zijn anekdotisch van aard en muzikaal niet pretentieus. Het is allemaal klein van aanpak, zoals het woord kleinkunst al zegt. Maar naar mijn gevoel hebben Schmidt en Bannink door hun bescheidenheid juist hun grootheid getoond. Zij hebben echte meesterwerken gemaakt.

“Inmiddels hebben zich in Nederland ook universelere, internationalere vormen aangediend. Denk maar aan de pop-musical Ik Jan Cremer. En ook componist Joop Stokkermans is, vooral vanwege de grote persoonlijkheid van Jasperina de Jong, steeds verder weg geëvolueerd van het cabareteske. Totaal anders was Cyrano, waarin de muziek helemaal werd doorgecomponeerd, net als in Miss Saigon, Les Miserables en The Phantom of the Opera. Die ontwikkeling vind ik heel interessant. In vroegere musicals - veelal gebaseerd op de formule dansje, sketchje, liedje - was de muziek toch meer een soort omlijsting. De muziek emancipeert nu als het ware en krijgt zo, net als in opera's, een hoofdrol.”