Georgie-Abchazie: Het geduld raakt op

In de kwestie-Abchazië komt Georgië aan het eind van zijn geduld. In Tbilisi lijkt men de hoop op een vreedzame regeling rond de separatistische republiek Abchazië op te geven

Abchazië, de autonome republiek die in 1992 onder president Vladislav Ardzinba haar onafhankelijkheid uitriep en zich van Georgië afscheidde en die in 1993 na een korte maar bloedige oorlog de Georgiërs verdreef, is de afgelopen maanden in een isolement beland.

Heel lang hebben de Abchaziërs in hun strijd om de onafhankelijkheid kunnen rekenen op de steun van Rusland. Die steun was niet gebaseerd op sympathie voor de Abchazische zaak, maar paste in het machtsspel dat Moskou speelde. Georgië wilde aanvankelijk geen lid worden van het door Rusland gedomineerde Gemenebest van Onafhankelijke Staten (GOS). Om Georgië te verzwakken kregen de Abchaziërs aanvankelijk wapens en logistieke steun van de Russen. Toen Georgië zich gedwongen zag te voldoen aan de eisen van Moskou - het moest lid van het GOS worden en Rusland militaire bases toestaan - had Rusland de Abchaziërs niet langer nodig. De vriendschap tussen Moskou en de separatisten in Soechoemi bekoelde verder toen de Abchaziërs de Tsjetsjenen - met wie ze etnisch verwant zijn - gingen helpen in hun opstand tegen Moskou.

In de loop van vorig jaar kwam de ommezwaai. Moskou staakte de steun aan de Abchaziërs en ging zelfs over tot een economische blokkade. De grens werd gesloten en Russische oorlogsschepen blokkeerden de haven van Soechoemi - een voor de Abchaziërs rampzalige maatregel, omdat ze voor voedsel zo goed als volledig waren aangewezen op de aanvoer over zee vanuit het Turkse Trabzon.

Volgens Abchazië worden ook de drieduizend Russische soldaten die als internationale vredesmacht op de grens tussen Georgië en Abchazië zijn gelegerd, zich steeds vijandelijker ging gedragen.

In januari nam de druk op Abchazië nog toe, toen president Jeltsin alle landen van het GOS ertoe bracht zich bij de economische en financiële blokkade van Abchazië aan te sluiten. Alleen voedsel en geneesmiddelen mogen nog aan Abchazië worden geleverd, zij het alleen met toestemming van Georgië. Het GOS verlengde op Russisch verzoek het mandaat van de vredesmacht en erkende uitdrukkelijk de territoriale integriteit van Georgië.

Onder al die druk deed Ardzinba een concessie: in februari liet hij na besprekingen met de Russische minister Primakov weten niet langer te staan op volledige onafhankelijkheid of een semi-onafhankelijkheid in de vorm van een confederatie met Georgië, maar akkoord te gaan met “een federale unie, die elementen bevat van zowel een federatie als een confederatie, zolang we maar niet worden gedegradeerd tot autonoom gebied”. De unie met Georgië zou afwijken van wat Ardzinba noemde “de klassieke opvattingen van een federatie”, maar hij zei er niet bij waar dan de verschillen zouden zitten. Dat moest worden geregeld in een speciaal verdrag. Buitenlands beleid, buitenlandse handel, grens- en douanedienst, energiezaken, transport en communicatie en milieu zouden gezamenlijk moeten worden geregeld.

Maar Georgië wees het aanbod onmiddellijk van de hand. Op 19 februari zei de Georgische president Sjevardnadze “niets nieuws” te kunnen ontdekken in Adzinba's voorstellen. “Alleen het geoefende oog ontdekt verschillen.” “Ik herhaal - en ben bereid het tien keer te herhalen - welke status en bevoegdheden Abchazië in een eenheidsstaat Georgië zal hebben: het krijgt essentiële staatsattributen als een grondwet, parlement, volkslied, staatswapen, vlag, opperste gerechtshof en uitgebreide economische en culturele bevoegdheden. Maar het centrum [Tbilisi] behoudt de bevoegdheden die passen bij de eenheidsstaat.”

Sindsdien dreigt Tbilisi voortdurend met geweld. “De tijd raakt op voor een vreedzame regeling”, aldus Sjevardnadze. Hij schermde met dreigementen van de Russische minister van defensie Gratsjov om de vredesmacht terug te trekken als er geen doorbraak komt. “Waarom zou Rusland miljarden [roebels] uitgeven om zijn mannen [van de vredesmacht] bloot te stellen aan gevaar zonder dat er voortgang wordt geboekt?” zo vroeg Sjevardnadze zich af. Eind februari zei hij in een gesprek met het Russische blad Segodnja dat het “zinloos is de vredesmacht in haar huidige vorm te handhaven: ze vormt een schild voor de Abchazische troepen en verhindert de terugkeer van [Georgische] vluchtelingen [naar Abchazië].”

Sjevardnadze is krijgslustig: hij is er deze twee jaar in geslaagd zijn eigen macht in Georgië aanzienlijk te versterken, een eind te maken aan de chaos en anarchie in Georgië, orde op zaken te stellen in het Georgische leger en rivaliserende krijgsheren als Dzjaba Josseliani en Tengiz Kitovani buitenspel te zetten. Het gaat bergopwaarts met de Georgische economie. De kwestie Abchazië - en de 250.000 Georgische vluchtelingen uit Abchazië die wel terug willen maar niet terug kunnen - is nu zijn grootste hoofdpijn: de tijd lijkt rijp de afvallige republiek tot inbinden te dwingen.