Een zeer klassieke Orfeo ed Euridice

Voorstelling: Orfeo ed Euridice door de Nationale Reisopera en Amsterdamse Bachsolisten o.l.v. Mark Minkowski. Regie: Waldemar Kamer. Gezien: 10/3 Twentse Schouwburg Enschede. Herhalingen: t/m 2/4 (Rotterdamse Schouwburg 28, 29/3; Stadsschouwburg Amsterdam 1, 2/4).

De in Enschede gevestigde Nationale Reisopera, de opvolger van Opera Forum, brengt Glucks Orfeo ed Euridice in de regie van Waldemar Kamer, in 1966 geboren in Enschede als zoon van de harpiste van het Forum-orkest. Kamer groeide op in Brussel en kreeg zijn opleiding in kunstgeschiedenis, theaterwetenschappen en acteren in Parijs. Zijn eerste operaregie levert een fraai ogende voorstelling op, zoals velen die graag zien, met een voor ons land ongekende hang naar klassicisme, mede dankzij de decors van de befaamde Italiaan Ezio Frigerio, die o.a. werkte in Milaan, Parijs en New York.

Ondanks Kamers assisterende werk bij het zeer dramaturgisch ingestelde ontwerpers- en regisseursechtpaar Ursel en Karl-Ernst Herrmann heeft deze Orfeo ed Euridice een zeer conventionele uitstraling. De coulissen bestaan uit zuilenpartijen, daarachter hangen zware draperieën, die de scheiding vormen tussen de levende wereld en het dodenrijk, waar Orfeo zijn gestorven Euridice mag ophalen. Aan de overzijde van de doodsrivier de Styx ligt een vredig verdord arcadisch landschap. Hierbij vergeleken was de naoorlogse Amsterdamse Orfeo met Kathleen Ferrier een toonbeeld van eigentijds post-modernisme.

Van Kamers pretentievolle cultuur-filosofische analyse in de operakrant Figaro van de Nationale Reisopera, waarin de figuren van Orfeo en Euridice worden gevolgd van Griekse mythe tot en met Goethe's Faust ('Das ewig-weibliche zieht uns hinan'), blijkt tijdens de voorstelling weinig. Er is eigenlijk niets te bespeuren van de afwijkende interpretatie, waarbij Euridice nu eens niet wordt afgeschilderd als de schuldige aan de aanvankelijke mislukking van haar redding, omdat ze eist dat Orfeo haar eerst aankijkt.

De handeling wordt langs de normale lijnen afgewerkt en aan het slot verenigt Amor het paar op ongecompliceerde wijze. Of moeten we waarde hechten aan een elegante knieval van Orfeo tijdens het applaus? Dan was de Orfeo die Peter te Nuyl in 1990 bij de Nederlandse Opera regisseerde heel wat verontrustender: daar eindigde aan het slot de liefde tussen Orfeo en Euridice voorgoed, omdat zij het beeld dat zij van elkaar hebben niet langer konden verdragen.

Het 'authentieke' karakter van de door de Amsterdamse Bachsolisten onder leiding van de Fransman Mark Minkowski begeleide voorstelling is bijzonder eclectisch van aard. Wat op hedendaagse instrumenten met sterk historiserende dramatische expressiviteit klinkt is een Weense versie uit 1781, waarbij de aria Addio miei sospiri is toegevoegd, maar waarbij is gecoupeerd in de slotballetten, omdat Gluck daar eigenlijk niet van zou hebben gehouden.

Ook op de muziek van de 'dans van de zalige geesten' is er geen ballet. Maar de furiën dansen wel en voor de ouverture, waarop een statige dans is gezet, klinkt nog wat typisch Frans slagwerkgeroffel.

De Amerikaanse mezzo-sopraan Linda Maguire, die een fraai klinkend bereik van laag tot hoog heeft en de coloraturen aankan, zingt als Orfeo een bijzonder goede en ingeleefde rol. Machteld Baumans is een overtuigende Euridice en Nicole Agosti is een opvallend doortastende Amor.