Bij Gaudeamus Concours wint de ware muzikaliteit

Internationaal Gaudeamus Vertolkers Concours 1996. Gehoord: 10/3 Kleine Zaal De Doelen Rotterdam. Opname NPS voor latere uitzending Radio 4.

Zaterdagavond werden in de Kleine Zaal van de Rotterdamse Doelen prijzen uitgereikt op het 30e Internationaal Gaudeamus Vertolkers Concours. De eerste prijs van ƒ 5000 verwierf de Amerikaanse fluitiste Helen Bledsoe, de tweede ging naar de Japanse sopraan Eiko Morikawa, de derde naar de pianiste Miwako Matsuki. Vierde, vijfde en zesde werden respectievelijk pianist Hiroaki Ooi, saxofonist Raaf Hekkema en fluististe Catherine Bowie.

In dit Jaar van de Ensembles stond ook dit Gaudeamus Concours in het teken van de ensembles. Onder de 75 inschrijvingen uit 19 landen bevonden zich vijf grotere en talrijke kleinere groeperingen. Het meest curieus was ongetwijfeld een duo voor psalterium (gusli) en piano uit Tatarstan. Helaas, van al die ensembles drong slechts het Italiaanse Ex Novo Trio door tot de voorlaatse ronde. Het musiceerde stevig, bijna, routineus in een trio van Petrassi waarin ik een spits en lenig staccato nauwelijks heb gehoord, en zo werd de finaleronde er één van louter solisten.

Alleen de jury, groter dan vorig jaar, mocht een 'ensemble' heten. Drie componisten: Helmuth Erdmann, Marek Stachowski en Peter-Jan Wagemans, aangevuld met cellist Taco Kooistra en dirigent-slagwerker George-Elie Octors. Ongetwijfeld verklaarde dat aantal componisten waarom dit jaar niet zozeer de techniek, maar uiteindelijk veeleer de muzikaliteit van de uitvoering de doorslag gaf in de beoordeling.

Nemen we eerst eens de beide fluitistes. De Nieuwzeelandse Catherine Bowie, als zesde geclassificeerd, speelde zonder enige twijfel professioneler dan prijswinnares Helen Bledsoe. Boewies toon was rijker en geschakeerder, haar techniek vele malen trefzekerder. Maar hoe onwaarschijnlijk mooi ze ook in een voorronde Holliger's Taire vertolkte, hoe perfect ze ook de Étude van Yun realiseerde, in Raxach's Ode viel ze enigszins door de mand. Dat is een luchtig stuk, vlinderlicht en het werd veel te nadrukkelijk vertolkt. Haar spelis te bedacht, de kleuringen zijn niet zonder raffinement, maar staan een spontaan spel in de weg.

Welnu, Bledsoe is spontaan, durft zich te geven en hoe! De Sequenza van Berio had menige jury niet geaccepteerd vanwege de vele slordigheden en fouten. Ze nam hier onnodige risico's, maar ze gaat er nu eenmaal zonder enige remming tegenaan. L'ombra dell' Angelo van Paolo Perezzani lukte veel beter, deze van Sciarrino afgekeken wonderlijke wereld in ruistinten is helemaal een kolfje naar haar hand.

Over de tweede plaats voor de sporaan Eiko Morikawa was geen discussie mogelijk: de expressisonistische razernij van Reimann's Lady Lazarus kreeg het beoogde effect. Morikawa heeft techniek én uitstraling, een schitterende adembeheersing en charisma, alleen de articulatie laat nog te wensen over, want die offert ze te vaak op aan toon- en kleurschakering.

De Nederlandse saxofonist Raaf Hekkema toonde zich weer een musicus in de klasse van Bowie: in wezen meer uit op precisie dan spontaniteit. Maar ik viel voor zijn fantastische toonvorming in alweer een Berio-sequenza, waarin hij afrekende met het brutaal-schelle klankkarakter van de saxofoon, dat Wagner eens karakteriseerde als Reckankreuzungsklankewerkzeuge: het instrument klonkzijns inziens als dit zelfbedachte woord.

Wagner had zijn mening zeker herzien als hij Hekkema had gehoord! Ik zou eerder zeggen: zijn toon geurde naar sneeuwvlokjes en het pianissimo was van een dusdanige kwaliteit dat je afvroeg: speelt hij nu wel of speelt hij nu niet? Boeiend vond ik zijn choreografie, niet alleen in gebaren, maar zelfs in danspassen in In Freundschaft, waar ook componist Stockhausen zeker van zou hebben opgekeken.

Tenslotte klonken er op het finaleconcert aan begin en eind nog pianosonates van Boulez. De eerste sonate werd uitgevoerd door Hiroaki Ooi en de tweede door Miwaco Matsuki. En weer valt ongeveer hetzelfde verhaal te vertellen. Ooi is professioneler en bezit ook nog eens een geschakeerder toonvorming. Alleen heeft hij weinig charisma, althans in visuele zin, hij zit onbewogen achter de piano, zelfs bij een uiterst complex werk van Xenakis. Maar charisma heeft hij wel degelijk te bieden in zijn voordracht, in zijn klankkwaliteiten en in de dosering daarvan.

Matsuki maakte te weinig verschil tussen muziek van Rijnvos en Boulez: het klinkt bij haar allemaal even virtuoos en zelfs overrompelend, maar niet werkelijk getypeerd.

In de voorronden vond ik pianiste Haruna Segawa vooral bijzonder in Cage, helaas viel ze door de mand in eenvoudiger stukken van haar landgenoot Takemitsu. Eenvoudig is voor veel musici, zo bleek op dit concours het allermoeilijkste.

Alles bijeen viel het niveau ditmaal hoger uit dan in vorige jaren. Vandaar het aantal van zes finalisten in plaats van drie, vier of vijf - waarbij vooral de Japanners zich deden gelden. Zes van de dertien drongen door in de tweede ronde. De jury had het dus zeer moeiljk en maakte uiteindelijk een verrassende keuze, die zeer zeker niet gebaseerd was op de puur technische kwaliteiten van de vele uitstekende kandidaten.