Zoeken naar het heilige in jezelf

H.M. c, redactie: In stukken en brokken. Godsdienst en levensbeschouwing in een postmoderne tijd

178 blz., Ten Have 1996, ƒ 24,90

Is er nog toekomst voor het christendom in Nederland? Niet veel, als we de beschouwingen in de bundel In stukken en brokken. Godsdienst en levensbeschouwing in een postmoderne tijd mogen geloven. De kerkleden hebben de moed verloren en 'hellenistische' chaos beheerst het religieuze toneel - na vele eeuwen van christelijke dominantie. Daarover zijn de tien 'denkers' uit deze bundel (een politicoloog, een antropoloog, een socioloog, een psycholoog en theologen en filosofen) het wel zo ongeveer eens.

Voor individuen zal er altijd wel waarde te vinden zijn in de christelijke tradities, maar de dominante rol van het georganiseerd geloof in 'het heil door de dood en opstanding van Christus' lijkt zijn langste tijd wel te hebben gehad. “De kerken schijnen uitgepraat te zijn”, constateert de theoloog H.M. Kuitert in zijn inleiding. De kerken zien dan ook “de mensen langzamerhand weglekken”.

Vanzelfsprekend is deze uitsterving niet. In de Verenigde Staten heeft de veel verdergaande modernisering van de samenleving niet zo'n effect gehad. En de christelijke kerk heeft wel vaker grote veranderingen met glans doorstaan, na de val van het Romeinse rijk bijvoorbeeld. En in moderner tijden is de eindeloze afsplitsing van het protestantisme een mooi voorbeeld van verfijnde aanpassing. Waar is die kracht gebleven? Een antwoord geeft deze bundel niet, maar vooral de theoloog R. Kranenborg, de socioloog J.J.M. de Hart en de psycholoog H. de Wit tonen interessante zienswijzen - en alle verschillend. De Wit, docent contemplatieve psychologie aan de Vrije Universiteit te Amsterdam en leraar aan boeddhistische meditatiecentra in Amsterdam en Leiden, komt met de scherpste kritiek op het ineenzakkende, al te abstract denkende christelijk geloof.Abstract geloof

Hij beschrijft eerst de 'beleving van het mens-zijn' als de basis van religiositeit. “Deze wijsheid is geen kennis over, maar grondige bekendheid met het menselijke bestaan”, aldus De Wit. Centraal daarin staat mededogen. Niet zozeer 'kennis van God', als wel de beleving van 'de fundamentele menselijkheid' - die de individuele beperkingen van het egocentrische gevoelsleven overstijgt - bepaalt de religieuze beleving. Het christendom heeft die 'praktische verbondenheid' verloren. In de woorden van De Wit: “Een religieuze traditie die niet de middelen en aanleidingen kan aanreiken aan mensen om hen te helpen hun (voor henzelf en voor anderen zo pijnlijke) egocentrische perspectief en levenswandel los te laten, kan ook geen vruchtbaar contact meer maken met de fundamentele menselijkheid van de mensen tot wie zij zich richt.” Aanpassing van dogma's helpt niet meer, zo'n onpraktische traditie heeft haar 'nut' verloren.

De Wits betoog past in de huidige 'postmoderne' tijd, waarin de echte secularisatie eigenlijk al weer voorbij is. Na de afschaffing van de hemel is de maakbaarheid van de aarde toch nogal tegengevallen. Het lijkt erop dat nu de maakbaarheid van de (innerlijke) hemel hot is. Het nogal wanhopige, existentialistische betoog over de onmogelijkheid 'de tweedeling van de werkelijkheid in innerlijk en uiterlijk' te verenigen van de jurist en filosoof (en D66-senator) J.F. Glastra van Loon is typisch nog een verhaal uit de oude 'moderne', 'aardse' tijd. Net als dat van de 'politiek' econoom en oud-PPR-leider B. de Gaay Fortman, die pleit voor aandacht voor 'de mensenrechten' als middel tot herleving van de kerken.

Niet voor niets doen de laatste jaren de vele New Age-'bewustzijnscentra' steeds betere zaken met een bonte variatie van geestelijke theorieën en toepassingen. Dat is toch ook gewoon religie? Deze 'esoterie' is al eeuwenlang de derde pijler van de westerse cultuur, schreef onlangs de Utrechtse godsdienstwetenschapper Hanegraaff, naast het kerkelijke christendom en het wetenschappelijke rationalisme. Omdat het geloof en het rationalisme in onze postmoderne tijden beide in een crisis verkeren, wint de verbrokkelde 'derde weg' aan invloed. Ze is westers, maar niet per se christelijk.

Pluraliteit

Kuitert is niet pessimistisch over die ontwikkeling. “Religie, maar dan zonder kerkelijk patent - dat is het wat we mensen zien zoeken”. En de versplintering door al die individuele 'geloofspakketjes' sluit groeiende cohesie van de samenleving helemaal niet uit. Kuitert gelooft in de 'pluraliteit als nieuwe gemeenschappelijkheid' - maar over de rol van het christendom daarbinnen zwijgt hij. Als de mensen maar religieus zijn, lijkt hij te denken.

Dezelfde ontwikkelingen worden ook gezien door de godsdienstwetenschapper en parttime-predikant R. Kranenborg. Maar zijn blik is zeer somber. “Krijgen we dan een maatschappij die nergens op gebaseerd is?”, vraagt hij zich af. Akkoord, schrijft hij, er is “een nieuwe religiositeit, waarin de dingen van het bestaan toch weer betrokken worden op de transcendente werkelijkheid. Als het maar niet christelijk is”. Kranenborg ziet het als “een aanslag temeer op het christelijk geloof, een nieuwe vorm van uitholling van de kerk”, en waarschijnlijk niet ten onrechte.

Moedeloos

Op eigen kracht komen de kerken niet meer overeind, zo lijkt het. In Kranenborgs eigen gereformeerde kerk in een oude Amsterdamse wijk heerst een moedeloze sfeer. Het zal de overgrote meerderheid der Nederlanders absoluut een zorg zijn als de kerk verdwijnt, aldus Kranenborg. Hij beschrijft negen pogingen in Amsterdam om de kerk te 'revitaliseren'. Alle mislukten. Onder invloed van de bevrijdingstheologie kwamen er bijvoorbeeld in zijn eigen wijk: kerk-en-buurt-werk, een 'inloophuis', kerkdiensten voor beschermdwonenden, ontmoetingen met moslims. Het leidde vooral tot veel extra taken voor een klein aantal gemeenteleden. De gemeente zelf werd alleen maar kleiner en de moedeloosheid verdween niet. Alle hoop heeft Kranenborg nog niet opgegeven: het christelijk geloof zal nog wel blijven voortbestaan in de evangelische gemeenten en de pinkstergemeenten, “met letterlijke uitleg van de bijbel en conservatisme vooral in ethisch opzicht, met intolerantie tegenover andersdenkenden”. Of dat vooruitgang is betwijfelt hij.

Door de teloorgang van de dominante rol van het christendom is er misschien wel meer vrijheid in religieuze beleving gekomen, maar de communicatie erover is moeilijker geworden. De socioloog De Hart beschrijft in zijn bijdrage hoe jongeren nog maar nauwelijks een gemeenschappelijke taal hebben om over hun religieuze ervaringen te praten. “Elke respondent bedient zich van een unieke vocabulaire (...). Voor de meesten is 'God' een soort innerlijke, positieve kracht die men ervaart en die met name actief is in crisissituaties. Geen taal, wel een teken dus”. Kortom, de postmoderne mens zoekt niet meer naar God. Zijn 'queeste' is naar het heilige in zichzelf - maar hij kan er maar moeilijk over praten.