Zelfgenoegzame ondernemers weigeren in werk te investeren

DEN HAAG, 9 MAART. Zelfs als de economie met 3 procent per jaar groeit telt Nederland in het jaar 2000 nog 701.000 arbeidsongeschikten (omgerekend naar volledige arbeidsongeschikten) en 733.000 werklozen. Dit komt doordat het aantal mensen dat een baan wil met 80.000 per jaar toeneemt. Bij een groeipercentage van 3 procent per jaar komen er voldoende banen bij om dit extra aanbod te absorberen. Het werkloosheidspercentage daalt zelfs, maar daarmee wordt de stijging van de werkloosheid sinds 1992 niet goedgemaakt.

Een veel meer voor de hand liggend lager groeipercentage van 2 procent per jaar levert onvoldoende extra banen op om het arbeidsaanbod op te nemen. Het werkloosheidspercentage loopt in dat geval op van 8,25 procent van de beroepsbevolking in 1996 tot 9 procent in het jaar 2000.

“De sleutel ligt bij werk, werk en nog eens werk”, zei Kok tijdens zijn regeringsverklaring, op 31 augustus 1994. Er komen in deze kabinetperiode volgens nog ongepubliceerde berekeningen van het Centraal Planbureau bij een matige economische groei inderdaad 400.000 banen bij. Dat is meer dan de 350.000 waarop het kabinet bij haar aantreden rekende. Maar het is niet genoeg om een flinke deuk in het aantal uitkeringen wegens werkloosheid te slaan.

Het Centraal Planbureau noemt in een nog vertrouwelijke publicatie over De Nederlandse economie in de periode 1997-2000 een drietal beleidsalternatieven om de werkgelegenheidsgroei een extra impuls te geven: meer investeringen, arbeidsduurverkorting, lager minimumloon en uitkeringen en Melkertbanen. De middellange termijnverkenning van het CPB wordt eens in de vijf jaar toegevoegd aan het jaarlijkse Centraal Economisch Plan, dat de basis vormt voor de begrotingsvoorbereiding voor volgend jaar. De middellange termijnberekeningen stellen het kabinet in staat op wat langere termijn te sturen. Dat meer gesubsidieerde banen (Melkertbanen) de werkgelegenheid vergroten wordt door het CPB geconstateerd, maar er wordt geen nadere analyse aan gekoppeld. Dat geldt wel voor de drie andere methoden.

De investeringen waren de afgelopen jaren relatief te laag, schrijft het Centraal Planbureau en dat begrenst op termijn de groeimogelijkheden van de economie, waardoor minder mensen in het arbeidsproces kunnen worden ingeschakeld. Een hoger niveau van de binnenlandse investeringsbedrijvigheid is volgens het CPB wenselijk om de inactiviteit te verminderen. Het CPB ziet ook niet in waarom er niet meer geïnvesteerd zou kunnen worden door de Nederlandse bedrijven.

“De concurrentiepositie van de Nederlandse industrie is in vergelijking met andere landen op dit moment goed”, aldus het Planbureau. “Daarenboven zijn er ruime financiële mogelijkheden voor een uitbundig investeringsverloop”. Hebben Nederlandse ondernemers een gebrekkige fantasie? Lijden ze aan de Jan Salieziekte? Of maken ze ook zonder meer investeringen genoeg winst, waardoor ze zelfgenoegzaam worden? Het antwoord op deze vragen is niet te vinden in de vele bladzijden tekst die het CPB naar de ministeries heeft gestuurd voor commentaar.

Het CPB noemt geen beleidsmaatregelen waarmee de investeringen kunnen worden opgeschroefd, maar met name minister Wijers zal dit punt op de agenda van de Ministerraad gaan zetten. De toekomstige welvaart en werkgelegenheid van Nederland hangt er immers vanaf. Achterblijvende investeringen hebben niet alleen als nadeel dat ze tot minder nieuwe banen leiden, maar vooral ook dat minder snel nieuwe technieken worden toegepast die produktiviteitsverhogend werken. De groeipotentie voor de toekomst wordt erdoor ondermijnd.

Opmerkelijk mild is het CPB over de werkgelegenheidseffecten van de 36-urige werkweek. “Als gevolg van de invoering van de 36-urige werkweek, kan de werkgelegenheid in het bankwezen toch behouden blijven en zelfs iets toenemen”, schrijft het CPB in een overzicht van bedrijfstakken. Als voorbeelden van CAO's waarin afspraken zijn gemaakt over arbeidsduurverkorting noemt het CPB: de chemische industrie, de PTT en delen van de overheid, het bankwezen, de detailhandel en de openbare nutsbedrijven. Om een beeld te schetsen van de gevolgen van verdere arbeidsduurverkorting worden vier varianten gepresenteerd, gebaseerd op invoering van de 36-urige werkweek in alle bedrijfstakken. Gemeten in personen stijgt de werkgelegenheid in alle gevallen. Deze conclusie staat haaks op de retoriek van met name Philips en de metaalindustrie, waar de 36-urige werkweek inzet is bij de CAO-onderhandelingen.

Een derde middel om de werkgelegenheid te stimuleren is het achterblijven van de minimumlonen en uitkeringen bij de lonen in het bedrijfsleven. Bij haar berekeningen voor de toekomst gaat het CPB uit van een volledige koppeling. Het CPB heeft berekend wat de effecten zijn als de koppeling van het minimumloon en de sociale uitkeringen aan de contractloonontwikkeling in 1997 en 1998 maar voor de helft wordt toegepast. Dat was ook de veronderstelling die ten grondslag lag aan de doorrekening van het regeerakkoord. Een halve koppeling leidt tot lagere loonkosten en een besparing op de collectieve uitgaven van 1,1 à 1,8 miljard gulden, afhankelijk van de veronderstelde stijging van de CAO-lonen. Die hangen op hun beurt weer af van de economische groei. De werkgelegenheidseffecten blijken marginaal te zijn. De werkloosheid neemt door de halve koppeling af met 6.000 personen in het jaar 2000.

Volgens het Centraal Planbureau is een werkweek van 36-uur in alle bedrijfstakken dus de doelmatigste manier om daadwerkelijk iets aan het probleem van de werkloosheid te doen. Voor meer investeringen wordt immers geen handleiding gegeven en voor het economisch effect van Melkertbanen wordt het model niet doorgerekend.