Weerzien met Moskou; Hier gelden andere wetten

Nog maar een paar jaar geleden werd de corrupte burgemeester er voor rotte vis uitgemaakt. Nu draagt de bevolking hem op handen. Moskou is een andere stad geworden. Laura Starink, die er van 1987 tot 1991 correspondent was, keerde na drie jaar afwezigheid terug en verbaasde zich over de aard van de metamorfose:'Is Rusland te groot om hoofd- en bijzaken van elkaar te kunnen scheiden?'

De geur is nog hetzelfde: de prikkelende steenkoollucht die vroeger opsteeg als mannen met zwarte kappen op het hoofd de zakken kolen leegden in het kolenhok in de tuin. Zo ruikt Moskou en het is een combinatie van koolmonoxide, slechte verbranding en uitstoot van ongezuiverde fabriekswalmen.

Het is februari en de sneeuw smelt razendsnel weg tot bruine blubber.

Bij het binnenrijden van Moskou over de eindeloze kaarsrechte Leningradski Prospekt die overgaat in de Tverskaja (voorheen Gorkistraat) bevangt me altijd een gevoel van licht sombere opwinding. Naarmate je je dieper en dieper in Moskou boort schud je geleidelijk het aangeharkte Nederland van je af en als de torens van het Kremlin opdoemen weet je het zeker: Gij die hier binnentreedt, laat alles varen, want dit is Rusland en hier gelden andere wetten.

Na drie jaar afwezigheid had ik me een beeld gevormd van de totale metamorfose. Overal werkende hijskranen, steigers, bouwputten, restauratiewerkzaamheden in volle gang. Dat viel tegen. Op het eerste gezicht leek er bij het binnenrijden van de stad in het straatbeeld niet veel veranderd. Hier en daar viel de blik op een fonkelnieuwe autoshowroom, een nieuw restaurant of een Soepermarket, maar veel was ook hetzelfde gebleven. Vervallen huizen, aftandse autobussen, versleten Wolga's. Of de spandoeken boven de straten met opwekkende teksten als 'Gefeliciteerd met de dag van de Verdedigers van het Vaderland' (vroeger de Dag van het Sovjet-leger) en 'Leve pannekoekendag', de Russische variant van carnaval en Vastenavond.

Goed, aan het eind van de Tverskaja, aan de voet van het Kremlin, ligt een bouwput van allure: het hele Manegeplein, vroeger toneel van menige demonstratie, is opgebroken. Hier moet een ondergronds winkelcentrum komen in drie etages, de diepste in de zestiende-eeuwse Kremlinstijl, de middelste als het Petersburgse neoclassicisme en de bovenste in de Russische Jugendstil van rond de eeuwwisseling. De geestelijke vader van dit merkwaardige project is Tseretelli, de Hoofdkunstenaar van Moskou, een officiële titel, die in Rusland voor tal van beroepen bestaat. Zo kent de stad een Hoofdarchitect en een Hoofdpsychiater.

Ook het Rode Plein is opgeknapt. Het is versterkt met de twee torens van de herbouwde Poort van de Opstanding en de sierlijke Kazankathedraal, die voorlopig voornamelijk toeristen trekt. Sla je af richting Moskwarivier dan doemen de gigantische contouren op van de Verlosserskerk, prestigeobject van Jeltsin, burgemeester Loezjkov en de Russisch-orthodoxe kerk. De kathedraal is in 1931 op last van Stalin met dynamiet opgeblazen en uiteindelijk vervangen door het beroemde openluchtzwembad, waar, zoals een Rus eens tegen me zei, “de proletariërs ronddobberden als worstjes in de kokende bouillon”. De lelijke kathedraal wordt - volgens de burgemeester met giften van gelovigen, burgers en zakenlui - in rap tempo herbouwd en moet volgend jaar, bij het 850-jarig bestaan van Moskou, zijn deuren openen voor hen die op zoek zijn naar de Russische ziel

Nadere inspectie van het centrum leert dat mijn eerste oordeel te oppervlakkig was. De veranderingen zijn frappant. Het spectaculairst zijn de winkels: geen rijen meer en de schappen goed gevuld. Dat is een revolutie. Het mag raar klinken maar met zijn allen uren in de rij staan om niets is toch vernederender dan je vergapen aan overvloed waar je wegens geldgebrek maar heel af en toe deel aan kunt hebben. Het is ook een enorme opluchting niet meer automatisch door het tot het uiterste getergde personeel te worden afgeblaft.

De prijzen zijn astronomisch, en toch wemelt het van de winkelende Russen. In Moskou heeft zich een kleine, rijke toplaag gevormd die met illegale dan wel halflegale middelen zijn kapitaal vergaart. Nooit zag ik zoveel vrouwen lopen met bontjassen tot op de grond. Ze hupten over de smeerpijperij in de straten zoals de bojarenvrouwen ten tijde van Boris Godoenov. Het is wrang, maar toch is Moskou hierdoor meer op een gewone hoofdstad met zijn gewone standsverschillen gaan lijken.

Mijn mond viel open bij het binnentreden van Detski Mir (De wereld van het kind). Voorheen een slecht verlicht kil warenhol met plastic sovjetspeelgoed dat je als kind nog niet cadeau zou willen hebben. Nu een luxe kinderparadijs zoals er in Nederland nauwelijks een te vinden is. Om de boel te financieren is de centrale hal verhuurd aan een autoshowroom, zodat blinkende jeeps en BMWs nu moeten concurreren met minuscule dinky toys. Helemaal bovenin verstopt zijn nog een paar afdelingen met speelgoed van Vaderlandse Bodem. Hier kopen de gewone mensen hun simpele sovjetpoppen en zelfs het personeel oogt wat verschaald.

Er heeft in het centrum van Moskou een ware explosie plaatsgevonden van dure leerzaken, boetieks, parfumerieën en schoenenwinkels. Ik pas een bonthoedje van 990.000 roebel (ƒ 350,-), drink een kopje koffie voor 20.000 roebel (ƒ 7,-) en neem een taxi voor 60.000 roebel (ƒ 20,-). Het maandsalaris van een leraar of kinderarts is 500.000 roebel, een gemiddeld pensioen 250.000 roebel. Een brood kost 3000 roebel, een fles wodka 10.000 en een metrokaartje 1500 roebel. Je snapt niet waar de mensen het van doen, maar dat is in Rusland altijd al een raadsel geweest.

Goede relaties zijn hier een kwestie van leven en dood. Al ver voordat bij ons de term networking in zwang kwam, netwerkten de Russen zich via de achterdeur en handjeklap door het leven. Daarom is hier ook alles niet wat het lijkt, al vraagt het IMF nog zulke spijkerharde garanties. De economie werkt volgens de wetten van de jungle, de politiek volgens de wetten van de bureaucratie. Slechts hij maakt kans op het presidentschap die een bureaucratische structuur achter zich heeft en zijn mannetjes op de belangrijkste posten weet te manoeuvreren. Daarom staan de democraten bij de komende presidentsverkiezingen met lege handen. Ze kennen de wetten van de jungle niet en hebben het machtsspel niet in hun genen. Of, zoals een verlichte vriend het uitdrukte, “Javlinski heeft niet met de mannen gezopen op de binnenplaats” en is dus voor de Russen onacceptabel als leidersfiguur. En anders dan de communisten en de Jeltsin-clan hebben ze geen strategie. Dus tobben en twijfelen ze tot sint juttemis, terwijl de bureaucraten zich breed maken in de kabinetten.

Vroeger waren het de communisten die de buit onderling verdeelden. Er was stevige corruptie, maar je moest je aan de spelregels houden. Maar omdat de buit steeds kleiner werd ging het communisme ter ziele. De communisten-van-toen hebben zich uit hun eigen dwangbuis bevrijd en voor de ex-communisten-van-nu zijn er geen grenzen meer. Ze sluiten kongsi's met de nieuwe rijken, knijpen allebei hun ogen dicht en strijken het smeergeld op. Bureaucraten en zakenlui hebben een gemeenschappelijk doel en kunnen niet zonder elkaar. En het werkt.

Neem de burgemeester van Moskou, Joeri Loezjkov. Nog maar drie jaar geleden werd hij voor rotte vis uitgemaakt, nu draagt de bevolking hem op handen. De Moskovieten zien dat er volop wordt gebouwd, dat de wegen worden geasfalteerd, dat de winkels vol zijn. En al heeft de overgrote meerderheid van de bevolking part noch deel aan de welvaart, dat Moskou beter af is dan de rest van het land is met het blote oog zichtbaar. Alles wat misgaat wordt Jeltsin aangewreven. Dat het achterland crepeert en dat het oorlog is in Tsjetsjenië is Jeltsins probleem, niet Loezjkovs zorg. Loezjkov heeft met de hoofdstad puur goud in zijn handen. Iedereen wéét dat hij een corrupte burgervader is, maar men is blij dat hij in ieder geval een deel van zijn gigantische inkomen in de stad investeert.

Een vriend werd vorige week de toegang tot het (openbare) Huis van de Architectuur ontzegd omdat daar de zestigste verjaardag gevierd zou worden van Vladimir Resin, de locoburgemeester van Moskou. Resin beheert de bouwportefeuille, de lucratiefste van allemaal. Hij deelt vergunningen uit, hij verhuurt de gebouwen, hij verkavelt de stad. Mijn vriend, die architect is, was getuige van de voorbereidingen voor het feest. Overal hingen grote kleurenfoto's van de bouwactiviteiten in Moskou en feestportretten van de jubilaris tegen de achtergrond van blauwe wolkenluchten. Op een podium zou een toneelstukje worden opgevoerd met bewegende kranen. De tafel werd gedekt voor een gigantisch banket. Wie betaalt dat allemaal? vroeg mijn vriend onnozel. Men wees op de mannen in leren jekkers die in het gebouw rondhingen. De mafia koopt de bouwkoning van Moskou en iedereen is dik tevreden. Vroeger, zegt mijn vriend die absoluut niet naar het communisme terugverlangt, waren er bepaalde normen. Nu zijn er totaal geen grenzen meer. Voor geld is alles te koop.

Als architect tobt hij over de vraag of hij voor de nieuwe rijken mag werken. Het geld heeft hij hard nodig, maar het is zijn eer te na. Wat ze willen is Russische neo-kitsch en die wil hij niet maken. Zijn vrouw werkt soms voor een designbureau dat woningen in het centrum van Moskou opknapt voor rijke Russen. De rijke Russen kopen mensen uit door ze een woning in een buitenwijk aan te bieden. Dat gaat soms met dwang of grof geweld gepaard. In de kranten werd vorig jaar verontrust geschreven over het feit dat er opeens verdacht veel Russische omaatjes begonnen te verdwijnen.

Voorlopig put mijn vriend zijn creatieve genoegen (en een beetje geld, zijn salaris is laatst opgetrokken tot 500.000 roebel, ongeveer ƒ 175,-) uit zijn architectuurleerlingen, die, zoals hij zegt, “geïnteresseerd maar totaal gedesoriënteerd zijn.” “Ze willen met ons verleden natuurlijk niets te maken hebben, maar weten niet welke toekomst ze tegemoet gaan. Na de aanvankelijke euforie zijn ze teleurgesteld geraakt in het westen, maar ze missen ieder gevoel van eigen identiteit.”

O ja, hij heeft laatst ook nog een ontwerp gemaakt voor het Sacharov-museum, een museum voor de mensenrechten. Erg te spreken was hij over de reactie van Sacharovs vrouw Jelena Bonner. Beste man, zei Bonner, dit ontwerp is dermate schizofreen dat het me zeer bevalt. Onnodig te zeggen dat de opdracht financieel weinig om de hakken had.

Ach ja, de mensenrechten. Wie is er nog in geïnteresseerd in Rusland, waar de gevangenissen en de kampen uitpuilen en het beroep van rechter een van de slechtst betaalde en impopulairste is? En waar de corruptie en ongeletterdheid van de gerechtsdienaren zo ten hemel schreit dat je je wel tien keer bedenkt voordat je je tot de rechtbank wendt? En wie wil nog weten hoe het allemaal zo is gekomen? Wie heeft er nog belangstelling voor de geschiedenis van de terreur, voor het stalinisme, voor de miljoenen slachtoffers, als de strijd om het dagelijkse bestaan alle energie opvreet?

Wonderlijk genoeg zijn ze er nog, de mensen die de herinnering levend houden. De 65-jarige Semjon Vilenski bijvoorbeeld, die zelf een paar jaar in een kamp in Kolyma heeft gezeten. Drie jaar geleden zette hij uitgeverij De Terugkomst op en sindsdien heeft hij in zijn kleine tweekamerflatje maar liefst vijftig boeken met kampmemoires en andere historische documenten het licht doen zien. Hij verzamelt archiefmateriaal, boort westerse fondsen aan, correspondeert met jan en alleman en heeft onlangs, ook dat kan alleen in Rusland, in de provincie Tver een verwaarloosd landgoed van dertig hectare voor 49 jaar gratis in gebruik gekregen. Hij heeft er grootse plannen mee. Conferenties, een bibliotheek, een tehuis voor gepensioneerde ex-Goelagbewoners. Trots toont hij de foto's van het totaal vervallen landhuis, met kerk en al, dat ooit heeft toebehoord aan een vriend van Poesjkin.

Eerst nog wat fondsen werven (Vilenski heeft veel contact met Duitse krijgsgevangenenorganisaties) en dan zie ik hem, met zijn lange witte manen, zijn levensavond slijten in die onverwarmde bouwval, gezeten aan de open haard, knisperend met vergeelde manucripten van mensen die zonder hem in het vergeetboek waren geraakt, spelend met zijn twee jonge honden, die zó totaal verschillend zijn dat hij bij hoog en bij laag volhoudt dat die ene worp twee vaders heeft gekend.

Vilenski blijft kalm onder de politieke ontwikkelingen. Voor de besluiteloze intellectuelen is de grootste teleurstelling volgens hem geweest dat de politieke emigratie na de val van het communisme niet is teruggekeerd, zoals dat bij andere dictaturen is gebeurd. Zij hadden een alternatieve structuur kunnen opbouwen en dat was de enige mogelijkheid geweest om met de nomenklatoera te breken. De terugkeer van de communisten zegt Vilenski niet te vrezen. Het zal ze toch niet lukken de klok terug te draaien. Ze zullen zich hoe dan ook moeten aanpassen.

Niet iedereen is daar zo gerust op. Op een late avond zit ik bij een vriend die ook uit dissidente kring afkomstig is. We luisteren naar het verslag dat de zojuist binnengekomen bekende mensenrechtenactivist doet van een bijeenkomst van een van de democratische partijen, eerder op de dag. Doel van de vergadering was een gezamenlijke presidentskandidaat voor de democraten naar voren te schuiven. Overbodig te zeggen dat ze er niet uit zijn gekomen, tot woede van de mensenrechtenactivist. Ex-premier Gaidar is onacceptabel voor de bevolking omdat ze hem verantwoordelijk houdt voor de armoe, Javlinski is onacceptabel voor de democraten omdat hij intrigeert en aan grootheidswaanzin lijdt. En uit angst voor de communisten overweegt menige democraat dus of hij niet toch maar weer op Jeltsin zal stemmen. Dit brengt de mensenrechtenactivist, fel tegenstander van Jeltsins wangedrag in Tsjetsjenië, tot razernij. We kijken diep in het glas maar de humor is ver te zoeken. “Dit land heeft een Havel nodig” roept de mensenrechtenactivist, maar hij vergeet dat Rusland geen Tsjechië is. Ik laat de heren orakelend en complotterend achter en verlaat droevig gestemd het pand. Is Rusland te groot om hoofd- en bijzaken van elkaar te kunnen scheiden? Gelukkig werkt de metro nog. Op dit middernachtelijk uur is het voornamelijk het vervoermiddel van de dronken medemens. Drie mannen tollen om een grote bruine aktentas, die een fles wodka blijkt te bevatten. Tas open, fles eruit, plastic bekertje gepakt en een-twee-drie in godsnaam.

Dat mensen het hoofd boven water houden blijft, zoals gezegd, een wonder. De ergste klappen vallen aan de onderkant. Met een vriendin bezoek ik een groepje jonge invaliden, die in een bejaardentehuis aan de rand van de stad wonen. Ze zijn ooit door hun ouders verstoten. Ik ken ze al een paar jaar, dus we kletsen wat bij. Dan komt het gesprek op het eten. Het was nooit veel, maar wat ze nu krijgen voorgeschoteld, doet nog het meest aan de kamprantsoenen uit Solzjenitsyns Goelagarchipel denken: waterige soep en bedorven sprotten. Alles wat eetbaar is wordt door het personeel mee naar huis genomen. Toen mijn vriendin daar over ging klagen bij de directrice zei de vrouw: “Mijn personeel verdient zo weinig, als ze niet kunnen stelen lopen ze weg en heb ik helemaal niemand meer om het werk te doen.”

Niet bekend

Op Vastenavond eet ik pannekoekjes met haring bij een vriendin die helemaal in Dostojevski is. Tijdens de perestroika had ze een vlammende column in Moscow News en stortte ze zich met hart en ziel in de politiek. Ook toen al - niet verwonderlijk bij iemand die van Dostojevski houdt - had ze een lichte hang naar vaderlandsliefde, een hele lichte hang, want voor nationalisme is ze veel te intelligent. Inmiddels heeft ze zich walgend van de democraten en de journalistiek afgewend. Ze schrijft alleen nog maar boeken over Dostjevski en kan daar, zij het krap, van leven.

Onder de pannekoeken gaat de televisie aan. We kijken naar een interview met ex-generaal Aleksander Lebed. Lebed, die voorheen de Russische troepen in Moldavië voorging in de loopgraven, spreekt schande van de oorlog in Tsjetsjenië. Daarom heeft Jeltsin hem van zijn generaalsstrepen beroofd. Lebed wil president van Rusland worden. Ik kijk gefascineerd. Hier zit de Russische beer: een eerlijke, hoekige kop, een brede borstkas, diepliggende ogen. Lebed praat niet, hij gromt vanuit zijn tenen, en zijn grommen is nauwelijks te verstaan. Zijn programma voor de verkiezingen? Dat houdt hij nog geheim, gromt hij. De economische hervormingen? Hij zegt een panklare oplossing te hebben, maar houdt zijn kaarten nog even tegen de borst. Zo bromt hij een half uur lang door zonder iets te zeggen, en wat gebeurt? Mijn vriendin valt in katzwijm! Nee, stemmen zal ze waarschijnlijk niet op hem, maar wat een vent, wat een humor! Ik staar haar ongelovig aan en snap er niets meer van.

De volgende ochtend sta ik klaar voor vertrek. Bij het verlaten van mijn oude woning voltrekt zich buiten een zonsverduistering. Grote grijze wolken kolken omhoog. Het is wat ik al die jaren in Moskou gevreesd heb: de autobandenfabriek even verderop in de straat staat in lichterlaaie. De zwarte rook achtervolgt ons een heel eind richting vliegveld. Later lees ik in de krant dat de brand veertig uur heeft geduurd. Alle achthonderd ton rubber is verbrand. Gelukkig is de tien ton zwavel gespaard gebleven. Men had de tegenwoordigheid van geest om de twee kraamklinieken in de buurt te evacueren. Volgens de krant bevinden zich binnen Moskou zesenzestig gevaarlijke chemische fabrieken en ongeveer honderd brandgevaarlijke industrieterreinen.

Ik vertrek zoals altijd met zeer gemengde gevoelens. Zeg, zei mijn Dostojevski-vriendin op het pannekoekenavondje, is het niet gevaarlijk leven in Amsterdam, met al die prostitutie en criminaliteit?