Verbod past niet bij een democratische kerndeugd: geestelijke weerbaarheid; Beste wapen tegen extreem rechts is repressieve tolerantie

Moet een partij die openlijk afschaffing van de multi-culturele samenleving nastreeft worden verboden? Nee, vindt Ger Groot, want dan maakt de democratie zich afhankelijk van haar tegenstrevers. Bovendien wordt het gevaar van extreem-rechts schromelijk overdreven.

Marcel Zwamborn, directeur van het Landelijk Bureau ter Bestrijding van Rassendiscriminatie, pleitte in deze krant (2 maart) voor een wettelijk verbod op extreem-rechtse partijen. Aanleiding daarvoor was een demonstratie in Zwolle waarop de partijleider van de Centrumdemocraten liet weten de multiculturele samenleving te willen afschaffen. Alleen dat laatste - zo voegde het NOS-journaal eraan toe - zou al voldoende zijn om Janmaat voor de rechter te dagen.

Men kan zich afvragen of het Openbaar Ministerie niets dringenders om handen heeft. Hoe groot de zegeningen van een multiculturele samenleving ook zijn, niemand kan gedwongen worden deze hartelijk te omhelzen. Wie er niet van gediend is, heeft in Nederland het recht dat te zeggen, zolang hij binnen de grenzen van de wet blijft.

Dat laatste is volgens Zwamborn echter niet het geval. Het grondrecht op vrije meningsuiting zou botsen met het grondrecht verschoond te blijven van discriminatie. Zwamborn stelt voor, het laatste zwaarder te laten wegen dan het eerste. Daarbij onderschat hij echter het staatsrechtelijk belang van het recht op vrije meningsuiting en rekt hij de reikwijdte van het anti-discriminatiebeginsel flink op.

Het recht op vrije meningsuiting heeft, wanneer het politieke partijen betreft, een bijzonder gewicht. De Nederlandse rechtsorde ontleent haar legitimiteit aan de soevereiniteit van het volk, die haar bevoegdheden heeft overgedragen aan de volksvertegenwoordiging. De beraadslagingen van dat lichaam gaan in zekere zin aan wet en grondwet vooraf: deze worden daarin pas vastgesteld. Wezenlijk voor hun legitimiteit is dat de debatten in de grootst mogelijke vrijheid plaatsvinden; vandaar de onschendbaarheid van degenen die daar het woord voeren. Het zou een vreemde contradictie opleveren, wanneer een wet de vrijheid van het politiek bedrijf zou inperken, waaraan ze tegelijkertijd haar legitimiteit zou ontlenen.

Is vrijheid van meningsuiting voor de burger dus een hoog goed, voor politieke partijen geldt ze bijna absoluut, wil het democratisch staatsbestel de poten niet onder zichzelf wegzagen. Daarin kan een democratie soms tot het uiterste worden getergd. De voorstanders van een verbod op extreem-rechtse partijen kunnen een voorbeeld nemen aan de oudste èn aan de jongste democratie in West-Europa - GrootBrittannië en Spanje - die tot nu toe heldhaftig de verleiding hebben weerstaan partijen die hun staatsorde openlijk bedreigen (Sinn Fein en Herri Batasuna) buiten de wet te stellen.

Zo bedreigend is extreem-rechts in Nederland bij lange na niet, maar zou het ooit zo ver kunnen komen? De voorstanders van een verbod maken graag gebruik van de metafoor van het sluipend gif: de openlijk uitgedragen ideeën van deze bewegingen zouden het brein van de medeburgers geleidelijk aantasten. In werkelijkheid wijst niets daarop. In tegendeel: gezien de geestelijke lenigheid die de Nederlandse bevolking tegenover de multiculturele samenleving heeft moeten opbrengen, is die ontwikkeling bijna voorbeeldig verlopen.

Vooral de bewoners van de oudere stadswijken hebben daarvoor zelden de erkenning gekregen die hen toekwam. In plaats daarvan werd hen, op grond van de metafoor van het sluipend gif, vaak een weerloze meegaandheid met extreem-rechtse ideeën toegedicht. De gedachte dat de populariteit daarvan effectief zou worden bestreden door een simpel verbod op hun politieke formulering lijkt het vermogen van medeburgers om voor zichzelf te denken in ieder geval niet hoog aan te slaan.

Maar dezen hebben zich, zelfs in de oude wijken, in meerderheid in staat getoond tot een bewonderenswaardige tolerantie, waaraan het juist racismebestrijders nogal eens ontbreekt. Tolerantie legt haar meesterproef niet af tegenover datgene wat men verwelkomt, maar tegenover wat men van harte verafschuwt. Zolang deze afschuw betrekking heeft op meningen, en niet op daden, zal de tolerante medeburger in debat gaan, weglopen, de oren toedoen of desnoods terugschreeuwen, maar niet verbieden.

Om zijn oproep tot verbod van extreem-rechts juridisch te versterken, wist Zwamborn dit onderscheid tussen woord en daad ten aanzien van het anti-discriminatierecht uit. Elke politieke meningsuiting die niet met het multiculturele project strookt, komt daarmee op hetzelfde niveau als de uitvoering van die mening. Maar woorden zijn geen daden. De roep 'Ik vermoord je' is zelf nog geen moord, ook al is hij weinig aangenaam om te horen. Terecht zal Zwamborn opmerken dat sommige woorden kunnen doden en daarom strafbaar zijn. Dat is juist, maar dat geldt slechts in enkele gevallen. Dat wil zeggen: meestal niet.

Het voorstel van Zwamborn komt neer op een strafbaarstelling van uitingen waardoor men zich gegriefd voelt, louter omwille van de grief. Dat voorstel past in een brede, uit Amerika afkomstige tendens de staatsburger zo veel mogelijk te vrijwaren voor wat hem onaangenaam voorkomt. Op het eerste gezicht lijkt de maatschappelijke omgang daarmee aan beschaving te winnen, maar die winst gaat ten koste van een van de centrale deugden van de democratie: de geestelijke weerbaarheid tegenover de ergernissen die het samenleven met anderen met zich meebrengt.

Men kan zich afvragen wat de beweegreden is van de aanhoudende roep om een verbod op partijen die zo'n marginaal bestaan leiden en zichzelf door interne ruzies voortdurend verzwakken. De Frans-Amerikaanse denker René Girard heeft er op gewezen dat elke gemeenschap zoekt naar groepen of individuen tegen wie ze zich kan afzetten, om zich in die gemeenschappelijke afkeer één en verbonden te kunnen voelen. De vrijwel unanieme roep om waakzaamheid tegenover zo'n marginale vijand als extreem rechts wijst er op dat die laatste binnen democratisch Nederland zo'n functie vervult.

Daar hebben deze partijen het ongetwijfeld naar gemaakt, en de ironische gerechtigheid waarmee degenen die anderen buiten de gemeenschap trachten te sluiten zelf verschoppelingen worden, zal menigeen genoegen doen. Maar daarmee maakt de democratie zich wel afhankelijk van haar eigen tegenstrevers, boven wier niveau van tolerantie ze kennelijk zelf niet verheven is. Ze meet extreem-rechts daarmee onwillekeurig een rol toe die het feitelijke belang ervan verre overstijgt. De ophef rond Zwolle was Janmaat zichtbaar niet onwelkom.

In plaats van haar aard te verloochenen door een overhaast verbod doet de democratie er beter aan extreem-rechts met haar eigen middelen tegemoet te treden. Dat is: te straffen wanneer de wet flagrant wordt overtreden, en deze bewegingen verder de plaats te gunnen die hen binnen het democratisch bestel toekomt. Wanneer zij daarbinnen als 'gewone' partijen fungeren, zullen zij uiteraard niet ophouden aanstoot te geven. Wel is het dan gedaan met hun bijzondere status, die nu de democratie voortdurend tot oneigenlijk gedrag verleidt (variërend van de roep om een verbod tot het geweld van de tegendemonstraties) en die voor de meelopers van deze bewegingen tegelijk zo aantrekkelijk is.

Een dergelijke beleidslijn heette in de jaren zestig 'repressieve tolerantie' en oproerig links, waartegen ze toen werd ingezet, heeft zich er bitter om beklaagd.

Daar had het alle reden toe: als verdediging van de democratische rechtsorde is repressieve tolerantie ook toen al wonderbaarlijk effectief gebleken.