Top Tien

De Engelse journalist en militair historicus John Keegan publiceerde vorig jaar de 'top tien' van de beste militaire biografieën, waarin hij zich rekenschap gaf van de invloed die zijn eigen boeken hebben ondergaan van Chester Wilmot's The Struggle for Europe, dat hij beschouwt als het belangrijkste boek over de Tweede Wereldoorlog dat de afgelopen vijftig jaar is verschenen.

Chester Wilmot behoorde in 1944 tot de keurtroepen van de BBC die de bevrijding van Europa in de voorhoede van de geallieerde bevrijdingslegers (daarom: gehelmd en in uniform) voor de radio versloegen. Hij maakte indrukwekkende ooggetuige verslagen van de invasie van Normandië en van de bevrijding van Parijs - met een onvergetelijke reportage over een bizarre schietpartij tijdens een bevrijdingsdienst in de Notre Dame, waarbij achtergebleven Duitse soldaten uit de nok van de kerk het vuur openden op de binnenkomende generaal de Gaulle, die in het oorverdovende lawaai een ijzige kalmte bewaarde en met souvereine onverschrokkenheid naar zijn plaats liep, en er zonder kleerscheuren afkwam.

The Struggle for Europe, dat in 1951 werd gepubliceerd, is het enige grote werk dat Chester Wilmot heeft geschreven. De tijd om zijn oeuvre uit te breiden werd hem niet gegund, want drie jaar later kwam hij om bij een ongeluk van het eerste Comet-straalvliegtuig dat in de Middellandse Zee neerstortte.

Voor John Keegan was Chester Wilmot in de eerste plaats een role model, een schrijver die een groot en imposant boek had geschreven, maar ook een revolutionaire visie op de militaire geschiedschrijving vorm had gegeven. Het was de eerste militaire geschiedenis waarin niet alleen het lopende verhaal van de gebeurtenissen aan het front regelmatig werd afgewisseld door strategisch commentaar, maar ook operationele en economische analyses, beeldende 'portretten' van de belangrijkste militaire hoofdrolspelers en ter zake doende tactische verhandelingen bevatte. Wilmot behoorde tot de nieuwe stroming in de moderne, geëmancipeerde oorlogsverslaggeving, die niet meer aan de leiband van de bevelvoerende generaals liep en zichzelf bevrijd had van het toezicht van woordvoerders om uit eigen waarneming tussen de troepen de loop van de oorlog te volgen.

Chester Wilmot deed nog meer, in ieder geval voor John Keegan. “Van hem heb ik geleerd hoe militaire geschiedenis geschreven moet worden” (John Keegan, The Battle for History, Vintage Books, 1996). Keegan bewonderde zowel Wilmot's levendige stijl als diens dynamische benadering van de geallieerde oorlogvoering: mentaal verbonden met de bevrijdingslegers, maar met een open oog voor de positie en het perspectief van de tegenpartij. Chester Wilmot was ook de eerste die alle beschikbare bronnen, ook de Duitse, gebruikte. Wilmot's aantrekkingskracht lag voor Keegan vooral in de combinatie van 'emotionele hartstocht' en 'koelbloedige onpartijdigheid'.

Van iemand met zulke welomschreven principiële maatstaven zou men geen sympathie verwachten voor een schrijver die zich met huid en haar overgeeft aan zijn onderwerp. Toch is Keegan's verrassende tweede keus niet Martin Gilbert's Churchill-biografie, maar David Irving's Hitler's War, ook wel omschreven als 'de autobiografie die Hitler zelf had kunnen schrijven' (Londen, 1977). David Irving is een historicus die precies het tegendeel is van een onpartijdige intellectueel, eerder een verblinde partijganger die zich tot in het lugubere met Hitler en de nazi's heeft geïdentificeerd, maar dat weerhoudt Keegan er niet van Irving als een belangrijke historicus, welhaast als een geschiedbron, te waarderen. Keegan's lof houdt geen enkel eerbetoon in aan een half-fanatieke, half-getikte vakgenoot (die meermalen heeft geadverteerd met financiële beloningen voor een ieder die het schriftelijk bewijs zou leveren dat Hitler persoonlijk de Entlösung heeft geautoriseerd). Hij heeft in het geheel niets op met Irving's politieke fratsen, maar hij erkent in de schrijver van Hitlers oorlog niettemin 'een historicus van formidabele kwaliteit', omdat die de weg kent in alle grote archieven van Duitsland, zelf belangrijke documenten heeft ontdekt en een groot aantal van de overlevenden aan Duitse kant heeft geïnterviewd.

Irving heeft weliswaar van al zijn Duitse hoofdfiguren helden gemaakt, en van Hitler bovendien een genie, wat zijn boeken een ongenietbare eenzijdigheid geeft, maar dat doet volgens Keegan niets af aan het inzicht dat Irving geeft in de onderlinge verhoudingen in het Duitse kamp. Daarom kan geen enkele specialist in de geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog “zich veroorloven Irving te negeren”. Irving's uitbeelding van de rol van Hitler, hoe hagiografisch die ook moge zijn, is volgens Keegan een noodzakelijk complement, zo niet een onmisbaar correctief, op de Angelsaksische geschiedschrijving van de oorlog, die een sterke churchilliaanse inslag heeft. Dat neemt echter niet weg, zo voegt Keegan er aan toe, dat Irving's versie van de geschiedenis op een ondeugdelijke visie steunt, want zij mist 'een moreel criterium'. John Keegan stelt het zijne daar gepassioneerd tegenover: “De Tweede Wereldoorlog heeft al onze morele instincten aangesproken, doordat ze de maatschappelijke ordening heeft ontwricht, de rechtsstaat heeft geruïneerd en de democratie onder de voet heeft gelopen. En niet in de laatste plaats doordat Hitlers oorlog in het teken stond van een rassenmoord, die ook de naoorlogse generaties tot een morele afwijzing van zijn ideologie verplicht”.

Keegan's overige nominaties zijn minder verrassend, maar de laatste, op de tiende plaats: Evelyn Waugh's fictie-trilogie Men at Arms (etc.) noem ik alleen om aan te geven dat John Keegan ruime literaire definities voor het genre hanteert.