Strijders

P.J. MEERTENS (†) e.a., redactie: Biografisch Woordenboek van het socialisme en de arbeidersbeweging in Nederland. Deel 6

284 blz., Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis 1996, ƒ 44,-

Zijn wiegje stond in een plaggenhut vlakbij Noordwolde. Daar werd op 3 juni 1888 Johannes Mooij geboren. Toen hij zeven jaar was overleed zijn moeder. Hij moet een goede leerling geweest zijn, want de onderwijzer van Johannes drong er bij diens vader op aan zijn kind te laten doorleren. Maar de vader wilde dat zijn zoon ging werken. Op 11-jarige leeftijd hoedde Johannes koeien en verdiende hij een gulden per week plus elke dag warm eten. Later werd hij rietbewerker-stoelenmaker. Op 20-jarige leeftijd richtte hij de onafhankelijke Stoelenmakersvereeniging 'Nieuw Leven' op, en ontwikkelde hij zich tot een strijdbaar socialist. Van 1919 tot 1940 zat hij eerst voor de Sociale Partij, later voor de Revolutionair Socialistische Partij in de gemeenteraad van Weststellingwerf. Als voorzitter van de 'Krottencommissie' moet 1938 voor hem een feestelijk jaar geweest zijn: toen werd de laatste plaggenhut in brand gestoken. Na de bevrijding leidde hij een grote rietbewerkersstaking voor betere werkomstandigheden. Hij kwam voor de CPN in de gemeenteraad maar zei het communisme in 1949 vaarwel. Bij de gemeenteraadsverkiezingen in dat jaar behaalden de onafhankelijk socialisten van Mooij 18 procent van de stemmen. Hij zat tot 1970, met een onderbreking van vier jaar, in de gemeenteraad. Deze ereburger van Weststellingwerf overleed in 1977.

Over Johannes Mooij is bij mijn weten geen biografie verschenen en buiten zijn geboortestreek zal zijn naam nauwelijks herkenning oproepen. Dat geldt voor veel mensen die hun sporen hebben verdiend in de Nederlandse arbeidersbeweging, de strijders zoals Mooij, die ijverden voor betere leefomstandigheden en tegen armoede. Maar dankzij de verschijning van het Biografisch woordenboek van het socialisme en de arbeidersbeweging in Nederland worden veel van hen aan de vergetelheid ontrukt. Het recentelijk verschenen zesde deel van het Biografisch woordenboek bevat een goed gedocumenteerd overzicht van een reeks mannen en vrouwen uit de arbeidersbeweging. Het was oorspronkelijk de bedoeling dat dit het laatste deel zou worden, maar gelukkig stelt de redactie nog twee delen in het vooruitzicht. Behalve goed geschreven is het woordenboek een interessant naslagwerk.

Bij lezing krijg je ter plekke medelijden met Maria Elize Baart die na een strijdbaar leven volstrekt onverwacht met haar man in 1879 zelfmoord pleegde. Geboren in 1854 in Middelburg kreeg ze een goede opvoeding en opleiding. Al vroeg werd de meisjes Baart te verstaan gegeven dat ze moesten leren hun eigen brood te verdienen zodat ze niet tegen hun zin zouden moeten trouwen. Maria Elize ontpopte zich als een goed voordrachtskunstenares en bleek ook over literaire kwaliteiten te beschikken. Zij was de eerste vrouw die in De Werkmansbode van 16 april 1879 pleitte voor het gebruik van voorbehoedmiddelen. Zij stelde de wantoestanden in arbeidersbuurten aan de kaak, zoals kindermoord en de achtergestelde positie van vrouwen. Na haar huwelijk, begin 1897, met de vrijdenker B.P. Korteweg verhuisde zij naar Groningen. Dat najaar stierven zij in elkaars armen nadat zij een snelwerkend gif hadden ingenomen. Er lag een afscheidsbrief waarin stond dat zij het leven moe waren. “De ontzetting in kringen van vrijdenkers en het Algemeen Nederlands Werklieden Verbond was groot”, schrijft M. de Waal.

Ook het leven van de diamantbewerker Andries de Rosa (1869) wordt uitvoerig belicht. Hij werd geboren in het hartje van de Amsterdamse jodenbuurt en verhuisde begin jaren negentig naar Parijs, waar hij als musicus in zijn onderhoud voorzag. Toen zijn tweede kind geboren werd moest hij het diamantbewerkersvak weer oppakken, maar dat weerhield hem er niet van met volle teugen te genieten van het Parijse kunstleven, aldus S. Bloemgarten in zijn bijdrage over De Rosa. Voor de eerste wereldoorlog keerde hij terug naar Amsterdam waar hij al snel een vooraanstaande rol speelde in de Algemeene Nederlandsche Diamantbewerkersbond. Hij was ook de man achter de oprichting van de Arbeiders-Vereeniging voor Lijkverbranding (AVVL). Op last van de Duitse bezetter werd hij in 1941 gedwongen zijn functie in de AVVL neer te leggen. Begin 1943 werd het echtpaar De Rosa in Westerbork opgesloten. Op 26 april 1943 vertrok een trein naar Sobibor, waar het echtpaar na aankomst werd vergast.