Stadhuisdier

ROEL VAN DUIJN: Blijft Amsterdam? Het referendum en de gedaanteveranderingen van de hoofdstad

176 blz., Meulenhoff 1996, ƒ 29,90

Voor Amsterdamse politici is 17 mei 1995 geen dag om te koesteren. Op die dag sprak bijna 93 procent van de kiezers zich uit tegen een besluit waar het stadsbestuur vrijwel unaniem mee akkoord was gegaan. Sinds het referendum proberen de bestuurders wel de indruk te wekken dat deze verwoestende nederlaag eigenlijk hun diepste wens had vervuld, maar de kerven zitten diep in hun ziel. Een paar weken geleden nog, vroeg een van de wethouders op tv aan een journalist waarom ze toch niet aardig werd gevonden. O, ontroerende bede om warmte! De journalist brak het gesprek snel af.

Eén raadslid mocht zich op die mei-avond zonder blozen winnaar noemen. Dat was Roel van Duijn, de eenmansfractie van De Groenen. Die was altijd tegen de opsplitsing van Amsterdam voor een stadsprovincie geweest. Niet dat hij destijds kon vermoeden dat negen op de tien mensen hem daarin ooit gelijk zouden geven, maar omdat zijn favoriete stemgedrag nu eenmaal 'tegen' is, als alle anderen 'voor' zijn, en vice versa.

Van Duijn heeft een boek geschreven over zijn finest hour. “Was ik dan de enige echte volksvertegenwoordiger”, mijmert hij bij de herinnering aan die avond. Het staat op een van de eerste bladzijden van Blijft Amsterdam? Het referendum en de gedaanteveranderingen van de hoofdstad en het is typerend voor het hele boek. Relativeringsvermogen is Van Duijn, de schrijver en de politicus, vreemd.

Zijn retorische vraag is geen plaagstoot naar de overige 44 raadsleden, of een knipoog naar zijn eigen positie als eenmansfractie. Van Duijn, de 'eenzame wolf', zoals hij zichzelf betitelt, denkt aan het hoofd te staan van een machtig volksleger, dat beukt op de poort van het establishment. Het boek staat geheel in het teken van die droom. “Altijd heb ik me (om het gemeentebestuur te prikken) met een speld moeten behelpen”, schrijft Van Duijn. Nu waren de rollen eens omgekeerd. Dertig jaar zit Van Duijn in de gemeentepolitiek. In verschillende posities (even zelfs als wethouder), bij verschillende partijen, maar altijd in de volle tegenwind van zijn politieke tegenstanders. Dat vervult hem met trots, schrijft hij: “Ik las over een wielrenner die achter in het peloton fietste, maar wel steeds een ronde voorlag: dat gevoel heb ik in de raad vaak.”

Blijft Amsterdam? behandelt hoofdstukgewijs een aantal recente botsingen tussen Van Duijn en wat hij consequent Het Gezelschap noemt: de politici die aan hun zetels kleven en met geen stok bij de macht zijn weg te slaan, laat staan met de speld van de Groenen. Voor niet-ingewijden in de Amsterdamse politiek zijn het vaak taaie beschrijvingen van raadsvergaderingen en wandelgangen, waarin de eenzame wolf zichzelf een hoofdrol toebedeelt. Hij heeft meestal 'evident gelijk', maar krijgt het niet, 'of maar ten dele'. Deze hoofdstukken zijn opgebouwd rond het woord 'ik'.

Het eerste en het laatste hoofdstuk gaan over de volksraadpleging, in 1994 door Het Gezelschap mogelijk gemaakt. Voor Van Duijn staat vast: “Het referendum kan Amsterdam redden.” Het zou kunnen, maar ik zie die opmerking vooral in het licht van de voorgaande hoofdstukken. In het licht van de enige echte volksvertegenwoordiger, die door collega-raadsleden wordt genegeerd of verwenst. In het licht van de eenzame wolf, die plots de troep in zicht krijgt en zich geborgen weet. De belangrijkste persoonlijk voornaamwoorden In de referendum-hoofdstukken zijn 'wij' en 'ons'.

Het aardige van de vernietigende uitslag van het referendum was dat er iets meer achter schuilging dan louter bezorgdheid over de opsplitsing van de stad. Op dezelfde dag konden de inwoners ook stemmen over de bestemming van een weilandje aan de stadsrand. Weinig mensen zullen het ooit hebben gezien, toch werd ook dat gemeentelijk voorstel weggevaagd. Het was daarmee ook even heel hard 'boe' roepen naar het stadhuis.

En terwijl hij zich helemaal aan de kant van de boe-roepers schaart, toont Van Duijn zich in zijn boek toch vooral een stadhuisdier, dat deelneemt “aan de lange vergaderingen in de zalen van het stadhuis, waar ik zit vanaf 's ochtends vroeg, als ik mijn dochter heb weggebracht, tot 's avonds laat, als ik het antwoordapparaat in de fractiekamer aanzet”. Zou dit de held zijn van de volkswil? Ik denk dat deze wolf zich nog vaak eenzaam zal voelen.