Somber Gaza wil zich niet door crisis laten intimideren

GAZA, 9 MAART. “Depressief? Moe? Gestresst? Kom dan naar de DRG (Depression Recycling Gathering), 7 maart om 08.30 uur.” Kort na de bomaanslag afgelopen maandag in Tel Aviv dook Sami, een jonge Palestijn uit Gaza, achter zijn computer om uitnodigingen te schrijven voor een feest. Gaza, wist hij, zou voorlopig hermetisch van de buitenwereld afgesloten blijven. Troepen van Arafat zouden door de straten razen, op zoek naar 'verdachte elementen'. Er zouden weer rijen voor de bakkers ontstaan, de mensen zouden hele avonden geen andere gespreksstof hebben dan 'de situatie': zou Israel Gaza binnenvallen, zou het vredesproces doorgaan, zouden ze ooit nog een eigen staat krijgen? Alle reden om depressief te worden en dus werd het hoog tijd voor wat 'leuks'. “Als je je hoofd laat hangen”, vindt Sami, “wordt het leven nog moeilijker dan het al is.”

Sami is niet de enige in de wereldse elite van dertigers in Gaza die in deze crisisdagen probeert de zinnen wat te verzetten. Veel Palestijnen studeerden in het buitenland op een beurs. Na de vredesakkoorden kwamen zij terug om een bedrijf op te zetten of voor Arafat te werken. Voor deze bereisde lieden is het totale isolement van de buitenwereld extra moeilijk. Ze grijpen alles aan om zichzelf en elkaar af te leiden van lastige existentiële en macro-politieke vragen waar ze toch het antwoord niet op weten. Dus gaan ze samen zweten in het Turkse badhuis, koken voor elkaar of kijken in groepjes naar Amerikaanse video's die ze al zes keer hebben gezien. Gisteren liet een aantal vrouwen zich vanwege Internationale Vrouwendag door hun echtgenoten fêteren.

In Gaza hebben mensen elkaar meer nodig dan op de Westoever. Wie “er even uit wil”, kan nergens heen. Hier zijn geen bioscopen of theaters, zoals in Jeruzalem of Ramallah. De restaurants serveren liefdeloos eten en geen alcohol. Wat wèl kan is vrienden optrommelen en er samen, thuis, het beste van maken. Voor een buitenstaander is die sociale veerkracht indrukwekkend. Voor de Palestijnen zelf is het niets bijzonders.

“Ach”, zegt de zwangere Maha, die een dampend gebraden schaap voor 30 man uit de oven haalt, “we hebben zo vaak meegemaakt dat Gaza gesloten was, dat er een avondklok was, dat er weken geen voedsel binnenkwam, dat de stroom was afgesloten. Tijdens de Intifadah en nu weer. We hebben wel geleerd om ons niet te laten kisten.” Op dezelfde laconieke toon “troostte” Maha vorig jaar een buitenlander wiens auto door het Israelische leger was opgeblazen. “Met boosheid”, zei ze toen, gestuurd door haar eigen incasseringsvermogen, “krijg je je auto niet terug. Waarom koop je niet een nieuwe?”

In Gaza laten de Palestijnen zich minder intimideren door de crisissfeer dan op de Westoever. De laatste anderhalf jaar is Gaza meer dicht dan open geweest. Daarbinnen hebben mensen, behalve in de buurt van joodse nederzettingen, redelijke bewegingsvrijheid. Op de Westoever hebben ze dat niet. Autonome steden als Bethlehem, Ramallah en Nablus zijn door Israelische troepen omsingeld en van elkaar afgesloten. Sinds de Intifadah was dat niet meer gebeurd.

Wie vrienden wil opzoeken, stuit op Israelische roadblocks. Wie in Jeruzalem van de ene Palestijnse wijk naar de andere wil, wordt door soldaten gefouilleerd en teruggestuurd, soms met een verkeersbon op de koop toe. Nu daar Palestijnen door een geweerloop uit de bus worden gehaald, blijven zij liever thuis. Het is vernederend, zeker voor supporters van het vredesproces, maar meer nog: ze zijn het niet meer gewend. Terwijl de Palestijnen in Gaza haast maniakaal etentjes organiseren, zeggen ze die op de Westoever juist af. Veel te depressief.

Toch is hiermee niet gezegd dat de sociale bedrijvigheid in Gaza de Palestijnen echt opvrolijkt. Het is te merken dat het vredesproces na de laatste bommen werkelijk in gevaar is - en daarmee de dromen die zij, of ze nu voor of tegen het Oslo-akkoord zijn, op de toekomst hadden geprojecteerd. Ze zingen Palestijnse liederen, net als anders, en dansen tot diep in de nacht.

Op Sami's feest deed de man die al 40 dagen niet naar zijn werk in Israel kan en de vrouw die sollicitaties in Jeruzalem moest afzeggen omdat ze niet op gesprek kan komen, oprecht moeite om niet over de toekomst te praten. Maar omdat er weinig anders is wat hun nu bezighoudt, begon hij al spoedig over zijn emigratieplannen. Sami, die zijn bedrijf niet kan openen zolang de benodigde apparatuur uit Europa vastzit in een Israelische haven, opende om één uur 's-nachts een fles Blue Label whisky die hij in betere tijden tax-free op een vliegveld had gekocht. Hij schonk een glas in en zei gekscherend: “Proost, op de vrede!” Waarop iemand uit de grond van zijn hart zei: “Welke vrede.” Er was niemand die daarom kon lachen.

De avond eindigde in een klaagzang. De laatste feestgangers wisten niet meer wie of wat ze de schuld moesten geven van hun uitzichtloze situatie: de zelfmoordenaars, de politiek van Arafat, de kleine lettertjes van de Oslo-akkoorden, of hun eigen overspannen verwachtingen destijds. Voor het eerst kwam Israel niet in het rijtje schuldigen voor. Buiten hoorde je de sirenes van een Palestijnse overvalwagen. Binnen dronken ze er nog maar een, en spraken een etentje af voor de volgende avond. “Leuk!” Maar het is, meer dan voorheen, genieten tegen de klippen op. Iedereen blijft depressief, moe en gestresst.