Lelijk

In het Zaterdags Bijvoegsel van 24 februari vraagt A. de Swaan zich af waarom 'arme mensen' zulke wanstaltig lelijke produkten aanschaffen. Zijn verklaring is dat ze uit groepssolidariteit en om niet uit de toon te vallen noodgedwongen kiezen voor kitsch.

Ik vrees dat de oplossing van het raadsel van de proletarische wansmaak veel eenvoudiger ligt: ze vinden hun Huilende Jongetjes en Zigeunerinnetjes echt mooi. Wie wel eens een arbeidersinterieur heeft aanschouwd of tijdens de jaarlijkse Uitmarkt ziet welke wanstaltige prullen mensen jarenlang als kostbare bezittingen hebben gekoesterd, kan tot geen andere conclusie komen. Geldgebrek lijkt me geen afdoende verklaring, gezien de kapitalen die ze uitgeven aan electronica en de juiste merkkleding. Bovendien is kitsch vrij kostbaar, daarvoor hoef je maar een paar winkeletalages te bekijken.

Sinds intellectuelen zich tegen het einde van de negentiende eeuw met de arbeidersklasse zijn gaan bemoeien, is het voor hen altijd een kwellende gedachte geweest dat de werkman geen besef had van mooi en lelijk. Onafgebroken werden pogingen ondernomen om de proletariër te verheffen door volksconcerten, poëzievoordrachten en het ontwerpen van ideale arbeidersinterieurs. Het mocht allemaal niet veel baten: zodra de arbeider ging meeprofiteren van de groeiende welvaart stouwde hij zijn huiskamer vol met kloostertafels en wandmeubels, bekleedde hij zijn autostoelen met een tijgermotiefje en nam hij een abonnement op Tros Kompas. Wie zou hem daartoe hebben moeten dwingen?

Waarom kunnen intellectuelen er geen vrede mee hebben dat er een onoverbrugbare kloof gaapt tussen wat zij en de rest van de bevolking als mooi beschouwen, en dat de gemiddelde automonteur of vuilnisman niet taalt naar Mahler en Mondriaan? Dat lijkt me een vraag die misschien niet pijnlijk, maar wel interessant is.