Labyrint Linschoten

HET HOGE WOORD is eruit. Staatssecretaris Linschoten (sociale zaken) kende vorig jaar november dus wèl een van de belangrijkste conclusies van een rapport over de ontwikkelingen van het ziekteverzuim.

In antwoord op schriftelijke vragen van het Tweede Kamerlid voor GroenLinks, Rosenmöller, heeft de staatssecretaris gisteren toegegeven dat hij op 20 november, twee dagen voor het debat in de Tweede Kamer over het kabinetsvoorstel de Ziektewet grotendeels te privatiseren, op de hoogte was van het feit dat de teruggang van het ziekteverzuim harder ging dan gedacht. Een gunstige ontwikkeling die het gevolg was van reeds eerder getroffen maatregelen.

Deze conclusie, die naar voren kwam uit een onderzoek van het College van Toezicht Sociale Verzekeringen (CTSV), was niet van politiek belang ontbloot. Want hiermee werd de noodzaak voor verdere - omstreden - maatregelen in de sfeer van de Ziektewet gerelativeerd. Toen Linschoten tijdens het Kamerdebat van 22 november expliciet naar de bevindingen werd gevraagd, antwoordde hij letterlijk “helemaal geen inzicht in die conclusies” te hebben, omdat hij er niet over beschikte. Het is een mededeling die in schril contrast staat met het antwoord dat Linschoten gisteren gaf op de vragen van Rosenmöller. Daarin stelt hij op 20 november “met zekerheid” over de komst van de rapportage en een belangrijke conclusie te zijn geïnformeerd.

Nog pijnlijker is het voor Linschoten als bedacht wordt dat zijn geheugen hem vorige week op dit punt nog in de steek liet. Toen hield de staatssecretaris tijdens een ingelast debat met de Kamercommissie voor sociale zaken vol dat hij niet op de hoogte was gesteld van conclusies uit de rapportage. Nu blijkt dit dus ten aanzien van een van de meest politiek relevante conclusies wel degelijk het geval te zijn geweest.

DEZE ZAAK IS natuurlijk af te doen met de kwalificatie onhandig. Zo waren tot gisteren ook de reacties van de regeringsfracties getoonzet. Alle ophef moest toch vooral in het kader van het oppositie-voeren worden geplaatst, aldus de teneur in het coalitiekamp. Dit is echter veel te gemakkelijk. Voorop staat dat de Kamer essentiele informatie is onthouden toen daarnaar werd gevraagd. Daarmee is een van de grondbeginselen van de parlementaire democratie in het geding. Voor de regeringsfracties telt dit wellicht minder zwaar omdat zij, in strijd met de dualistische principes, enkele dagen voor het plenaire debat in de Tweede Kamer toch al volop in gesprek waren met de staatssecretaris. Maar in feite maakt dit de kwestie nog onverkwikkelijker.

Het selectieve geheugen van Linschoten, de aanvankelijk lauwe reacties van de regeringsfracties daarop, de sussende woorden van de minister-president - het begint al met al trekken te krijgen van een vorm van bestuurlijke arrogantie die niet past bij een coalitie die zegt een open dialoog met de samenleving te willen voeren.