Kramers niet kloppende beelden

De keramisch geschoolde Bastienne Kramer gebruikt allang niet meer alleen klei in haar werk. Ze stopt tl-buizen in een boodschappennet en maakt van polyester een duikboot en benzinepompen. Morgen opent in Almere een tentoonstelling met nieuw en oud werk van haar.

De opening van de tentoonstelling 'Agenten en benzinepompen' wordt zondag 10 maart (14u) verricht door de districtschef van de politie Flevoland. De Paviljoens, Odeonstraat 5, Almere. T/m 14 april. Di t/m zo 12-17u. Eind mei is werk van Kramer te zien bij Bureau Amsterdam.

AMSTERDAM, 9 MAART. Kun je van benzinepompen houden? Met gemak, vindt Bastienne Kramer. Ze zijn mooi, statig en streng; kitscherig, functioneel maar ook kwetsbaar, en staan op de meest desolate plaatsen van de stad. Kramer beeldhouwt pompen van beton, piepschuim maar het meest bevallen die van polyester haar. “Dat is precies de juiste industriële huid.” Kloppen doen haar pompen niet: er klokt geen benzine uit en ook wat vorm betreft lijken ze niet exact. Het zijn abstracties. Nabeelden, noemt Kramer ze zelf, herinneringen aan pompen die ze elders zag: in India, Oost-Duitsland, Nederland en ook op de vereenzaamde schilderijen van Edward Hopper.

Het is een ijzige winter voor Kramer (1961) geweest. Toen ze in december uit India terug kwam na een drie maanden durend Indiaas-Nederlands uitwisselingsproject met Rob Birza en Berend Strik, begon ze aan de pompen. Maar polyester stinkt zo verschrikkelijk, dat ramen en deuren wijd open moesten en de vorst in het speciaal geleende atelier in Ouderkerk aan de Amstel huishield. Nu nog slaat de plasticlucht je tegemoet als de zware toegangsdeur in een voormalige kruitfabriek openratelt. Na een kwartier ruiken je handen, haar en kleren naar jachthaven.

Kramer heeft het polyester gekleurd met pigment, in zuurstokroze, hemelsblauw en zeegroen, en schildert dit op glasvezelmatten. Bubbels, pukkels en druipers laat ze zo, dat is 'mooi onvolmaakt'. Ze werkt met koolstofmasker en rubber handschoenen, uur na uur. Vier pompen laat ze zien, in meer of minder definitieve staat van afwerking. Ieder is anders. “Het zijn immers net mannetjes die je aankijken”, zegt Kramer. Een ruit is als een gezicht, en het onderstel van een pomp is net een romp. De lompste - een moderne Shell-pomp - is haar het liefst.

Streng in het gelid zal haar viertal morgen in een van De Paviljoens - “mooi, verlaten aan de rand van de Almere” - staan. Het andere Paviljoen zal een ouder werk vullen: zes keramische, bijna drie meter hoge politieagentes op sokkels die de toeschouwers aanstaren. Dit werk, Art Police, toonde Kramer voor het eerst in Artis in Den Bosch, in 1992. De ruimte daar heeft wel wat van een verkeersplein en de agentes op hun sokkels gaven je als toeschouwer het ongemakkelijke gevoel dat jij degene was die bespied en ontleed werd, en niet de kunst.

“Natuurlijk gaat mijn werk over machtsverhoudingen, maar wel terloops”, zegt Kramer later in haar zelf gebouwde atelier in een voormalig kraakpand. Met haar citroengele citroën zijn we van Ouderkerk terug naar de binnenstad van Amsterdam gereden. “In eerste instantie maak ik dingen die ik leuk vind, waarbij ik in de lach schiet”, had ze onderweg verteld. Kordaat had ze haar auto van opstopping naar opstopping gestuurd. Met ieder object, met iedere installatie brengt ze zekerheden aan het wankelen, zekerheden over goede en slechte smaak, over wat lelijk is en mooi, sterk en zwak. En dat met een tomeloze energie. Ze had gewaarschuwd: “Ik heb de neiging om alles aan te willen pakken, zo van: hupsakee, niet te flauw.” En: “Uiteindelijk onderschat ik altijd waar ik mee bezig ben.”

Kramer koos op haar achttiende voor een keramische opleiding op de kunstacademie in Breda en later op de Rijksacademie in Amsterdam. “Keramiek lag het meest voor de hand”, zegt ze. “Kleien vond ik geweldig. Ik kleide vanaf mijn derde jaar. Klei is modder, prachtig, dat is nog niks maar kan nog van alles worden.” Van het aureool van tuttigheid dat rond keramiek hangt, heeft ze zich nooit iets aangetrokken. Of juist wel, want ze keerde de tuttigheid om, zette zich ertegen af en maakte er iets grotesks van. “Ik had potten kunnen gaan bakken, tja”, ze spreidt haar handen. Maar in plaats daarvan ontstonden de reusachtige agenten, die vrouw waren en nog zwart bovendien.

“Ik houd er van om iets te maken wat omvattend is, waar je helemaal in kunt leven, waar je niet omheen kunt. Ik zoek de vervreemding door overdrijving. Beelden maken indruk als ze niet kloppen. Exorbitantie klopt niet.”

Van al Kramers werk zijn de agentes het meest politiek beladen. “Alle goede kunst heeft politieke aspecten”, zegt ze en ze noemt Beuys als voorbeeld. Maar anders dan Beuys gaat Kramer nooit uit van een vooropgezet concept, of vooropgestelde kritiek. “Ik gebruik dingen die ik bij toeval tegenkom, die me ontroeren door hun nutteloosheid of door hun achteloze aanwezigheid.” Soms zijn het voorwerpen die ze langs de weg ziet staan - de pompen bijvoorbeeld -, soms zijn het artikelen die ze opduikt in autowinkels, dumpzaken, en bij het grof vuil. Via een eenvoudige ingreep van voorziet ze de gevonden voorwerpen van commentaar. Zoals het Oost-Duitse boodschappennetje dat ze tijdens haar verblijf in het Berlijnse Künstlerhaus Bethanien vulde met gekromde tl-lampen. Lampen in een netje dat symbool staat voor bijna vijftig jaar communistische heerschappij: “Duitsers vroegen me op een feestje diep in de nacht wat ik met mijn werk bedoelde. Als ik dan zei dat ik het gemaakt had omdat ik het grappig vond, keken ze me stomverbaasd aan. Van zo weinig verantwoording begrepen ze niets.”