Iran geeft openlijk steun aan de 'goddelijke strijd' tegen Israel

De 'door God geleide' regering in Teheran is erfgenaam en hoeder van de Islamitische Revolutie. Daarom moet zij altijd opnieuw haar islamitische beginselen en leiderschap bewijzen - zowel tegenover het binnenland als tegenover de buitenwereld.

Zo ook na de bloedige Hamas-aanslagen in Israel. Het officiële staatspersbureau IRNA prees 'de heroïek' van de Palestijnse levende bommen die zich voor de islam hadden opgeofferd. Zij hadden volgens IRNA de Israeliërs 'een goddelijke straf' toegediend. Meteen daarop overlaadden de Verenigde Staten, Israel en PLO-leider Arafat Iran met beschuldigingen. De Islamitische Republiek zou één van de belangrijkste krachten zijn achter het Hamas-terrorisme.

De Iraanse vice-premier Hassan Habibi en zijn minister voor Arabische zaken Hussein Sjeikholeslam maakten het Irans vijanden gemakkelijk: nog maar vorige week zegden zij in de Syrische hoofdstad Damascus de leiders van zowel Hamas als Islamitische Jihad “alle steun en alle beschikbare middelen” toe in hun strijd.

Dat was zelfs de Westeuropese landen te veel. Sinds jaar en dag voeren zij 'een kritische dialoog' met Iran, om profijtelijke zaken te blijven doen met een regime waarmee zij het officiëel geheel oneens zijn. Nu toonden zij zich publiekelijk verontwaardigd. Volgens de Franse premier Alain Juppé “zet Teheran terroristen aan tot misdaden”, waarna Franse diplomaten spraken van “mogelijke consequenties”. Het Britse ministerie van buitenlandse zaken ontbood de Iraanse zaakgelastigde om hem de les te lezen over de “buitengewoon onsmakelijke opmerkingen” van Iraanse kant over de zelfmoordacties van Hamas. En Hans van Mierlo, de Nederlandse minister van buitenlandse zaken, zei dat Europa wellicht zijn houding tegenover Iran moet herzien omdat de kritische dialoog zo weinig oplevert.

Maar Van Mierlo voelt, evenmin als zijn collega's uit Duitsland, Italië, Frankrijk en Engeland, iets voor de door Washington voorgestelde boycot van Iran. Mogelijk worden de ministers van buitenlandse zaken van de EU het op hun bijeenkomst van vandaag in Palermo eens over een tandeloze verklaring. Die zou dan het Iraanse verzet tegen het Israelisch-Arabische vredesproces moeten afkeuren, en Israel en het Palestijnse Bestuur van Arafat steun aanbieden voor gezamenlijke anti-terrorisme-maatregelen.

Uiteindelijk zijn dat - evenals de voor volgende week aangekondigde internationale conferentie tegen het terrorisme in de Egyptische badplaats Sharm el-Sjeikh - alleen maar sussende woorden en gebaren die het wankelende vredesproces moeten stutten. Tóch is men in Teheran bezorgd: als Europa een paar stappen verder gaat - je weet maar nooit - kan dat ernstige gevolgen hebben voor de toch al doodzieke Iraanse economie.

Vandaar dat de Iraanse regering in diverse Westerse landen met een serie communiqués kwam, waarin “de absurde en onverantwoordelijke beschuldigingen” over Iraanse steun aan het terrorisme naar het rijk der fabelen werden verwezen. Enkele van die communiqués ontkenden zelfs dat Iran ook maar enige financiële of politieke steun geeft aan het Arabische 'Front van hen die de vrede afwijzen', laat staan dat het daaraan militaire of logistieke hulp zou verlenen. En woensdag kreeg IRNA opdracht de fout te herstellen. “Volgens sommige deskundigen', aldus het persbureau, “zouden deze aanslagen kunnen zijn uitgevoerd door Palestijnen die geen enkele band hebben met Hamas, of zelfs door lieden in het kader van de strijd (tussen Likud en de Arbeidspartij) drie maanden voor de (Israelische) verkiezingen.”

Die rectificaties kwamen te laat. De eerdere publieke reacties van Iraanse kant waren gefundenes Fressen voor Washington, dat al sinds lang bij de Europese bondgenoten aandringt op harde sancties tegen Iran. Dat land zou de stabiliteit van het door het Westen (en met name door Amerika) gedomineerde Midden-Oosten in gevaar brengen met de aankoop en produktie van massa-vernietigingswapens, het organiseren en aanmoedigen van terrorisme en het saboteren van het Israelisch-Arabische vredesproces.

Maar wat de Amerikanen ook zeggen over de door hen niet met bewijzen gestaafde beschuldiging van Iraanse steun aan Hamas-terrorisme, de Europeanen accepteren hun argumenten niet. Ze geloven weliswaar niet in de Iraanse onschuld, maar ze hebben evenmin vertrouwen in de onbaatzuchtigheid van hun Amerikaanse bondgenoot. Want sinds het einde van de Golfoorlog, die Koeweit uit handen van de Irakezen bevrijdde, proberen de Amerikanen op zeer agressieve wijze de Arabische markten voor zich te veroveren. Zelfs president Clinton voelt zich niet te min om hoogstpersoonlijk bij het binnenhalen van miljarden-contracten te lobbyen. In diverse Europese hoofdsteden zeggen politici dan ook openlijk dat de Amerikanen Irak en Iran met economische sancties op de knieën willen dwingen - om daarna zélf in deze lucratieve markten hun slag te slaan.

Bovendien is geheime (en dus altijd ontkende) steun van een land aan buitenlandse terroristische groeperingen haast nooit te bewijzen, tenzij de terroristen zelf uit de school klappen. Bij wapens en explosieven is nog na te gaan waar zij vandaan komen. Maar de oorsprong van geld is veel moeilijker op te sporen - zeker bij groepen als Hamas die hun financiën voor de meest uiteenlopende doelen aanwenden. Individuele bankiers kennen de transacties van hun klanten. Maar zij geven daarover geen informatie aan buitenstaanders. Alleen geheime operaties van politie en inlichtingendiensten kunnen bij misdaadbestrijding wel eens illegale geldstromen opsporen. Bij de oorlog tegen het terrorisme gelden dezelfde regels: door penetratie in de doelgroepen of door lieden van die groepen gevangen te nemen, die al dan niet onder dwang informatie verstrekken over de wijze waarop geld wordt verkregen en verder verdeeld.

In het geval van Hamas is, ondanks alle beschuldigingen, vrijwel niets hard te maken. De Moslim Broeders, uit wier midden Hamas stamt, zijn een beweging met vele mogelijkheden en gezichten; ze kennen een geschiedenis van veel geheimhouderij. Alle variaties zijn aanwezig: van een puur godsdienstige inzet (de bouw van moskeeën, de verspreiding van religieuze lectuur, het geven van godsdienstlessen en het tot inkeer brengen van 'verdwaalde' geloofsgenoten) via sociale arbeid (ziekenhuizen en klinieken, crèches, scholen en universiteiten, waar gratis of voor zeer weinig geld diensten worden verstrekt) tot aan sportscholen (bijna altijd vechtsporten, zoals judo en karate). Deze opbouw kan uiteindelijk bekroond worden door de opleiding tot orde-handhavers en in laatste instantie tot mujahedeen (strijders voor het geloof). Naar het voorbeeld van de PLO kunnen de families van de mujahedeen tijdens hun strijd en na hun martelaarschap op zorg en betaling rekenen van Hamas.

De financiering van al deze activiteiten komt uit de zakkat (de religieuze belasting die vrome moslims betalen) en uit vrijwillige giften. Overtuigde moslims zijn overal ter wereld bereid voor hun geloofsgenoten in de buidel te tasten, precies zoals vrome joden en christenen. Velen weten niet waar hun geld precies naar toe gaat, sommigen weten het wel degelijk. Volgens schattingen van de Israelische veiligheidsdiensten krijgt Hamas jaarlijks tussen de 60 en 70 miljoen dollar binnen. Daarvan zou Iran tien tot twintig procent voor zijn rekening nemen.

Het merendeel van de Hamas-gelden komt echter van Palestijnen binnen en buiten de Palestijnse autonomie, en van niet-Palestijnse gelovigen uit de Golfstaten, de VS en Groot-Brittannië. Na de Golfoorlog staakten de Golfstaten, uit woede over de pro-Iraakse houding van Yasser Arafat, hun betalingen aan de PLO. De Hamas-instellingen bleken toen opeens over zeer veel geld te beschikken. Verzoeken van de Amerikaanse regering aan de Arabische heersers om deze geldstroom in te dammen, werden niet gehonoreerd.

Tot voor kort weigerde Arafat 'de totale oorlog' tegen Hamas af te kondigen. Hij doet dat ook nu niet, hoewel hij onder zware druk staat van Israel en de VS om de beweging met wortel en tak uit te roeien. Met veel publiciteit heeft zijn politie honderden Hamas-mensen opgepakt en invallen gedaan in Hamas-instellingen. Maar in laatste instantie wil Arafat ook nu nog de oorlog met zijn vroegere kameraden in de Moslim Broederschap ten koste van alles vermijden. Daarvan getuigt zijn uitspraak dat hij alleen 'discipline' nastreeft, oftewel gehoorzaamheid.

De president van de Palestijnse autonomie beseft namelijk heel goed dat zijn Bestuur de sociaal-culturele instellingen van Hamas onmogelijk kan vervangen. Ook weet hij dat er binnen zijn eigen Palestijnse politie veel sympathisanten van Hamas zijn, en dat zelfs binnen de families de ene broer voor het Palestijnse Bestuur kan werken en de andere broer voor Hamas.

De meerderheid van de Palestijnen volgt op dit moment Arafat, president en boegbeeld van de Palestijnse autonomie. Tegelijkertijd zien zeer vele Palestijnen, zelfs aanhangers van Arafat, in Hamas de belichaming van vertrouwde ideeën, die in het verleden ook door Arafat werden vertolkt. Hamas vertegenwoordigt kortom nu de puurheid van de Palestijnse Opstand.

De shi'itische Iraniërs, die nog maar een paar jaar geleden weinig ophadden met deze door Saoedi-Arabië gesteunde sunnitische beweging, zijn inmiddels van gedachten veranderd. Sjeik Abdallah al-Chami, één van de leiders van Islamitische Jihad, die nauw met Hamas samenwerkt, legde een jaar geleden uit waarom. “Iran helpt ons. Want ook zij zien het Westen als vijand. Iran wil ons met kleine giften binden, laten zien dat zij betrokken zijn. De rest van het geld komt van onze eigen mensen.”