Hyperinflatie beroofde Serviërs van hun spaargeld

In 1993 beliep de hyperinflatie in Joegoslavië (Servië en Montenegro) het astronomische percentage van 352 biljoen. Die hyperinflatie was bewust aangewakkerd door een kleine politiek-financiële elite, die de Servische bevolking in die periode van haar spaargeld - miljarden Duitse marken - beroofde. Die miljarden verdwenen naar buitenlandse rekeningen van de leiders.

Op 1 november 1993 kostte in Joegoslavië (Servië en Montenegro) een liter melk 25.000 dinar. Twee maanden later kostte een liter melk 9,5 miljard dinar. De prijs van een brood steeg in die periode van 12.500 dinar tot vier miljard dinar.

Op het hoogtepunt van de Duitse hyperinflatie van 1923, het klassieke voorbeeld van een uit de hand gelopen monetair beleid, beliep de geldontwaarding 32.400 procent per maand. De Joegoslaven overtroffen dat: in januari 1994 beliep de inflatie 62 procent per dag, 313.563.558 procent per maand. De geldontwaarding over heel 1993 bedroeg 352,4 biljoen procent. Om precies te zijn: 352.459.275.105.195 procent.

Joegoslavië had al eens hyperinflatie gekend. In de jaren tachtig begonnen de deelrepublieken steeds schaamtelozer misbruik te maken van de bevoegdheden die ze in de decentraliserende grondwet van 1974 hadden gekregen. Ze stoorden zich niet langer aan het centrale gezag in Belgrado en volgden hun eigen beleid, vooral ten koste van elkaar. De deelrepublikeinse politici leenden op grote schaal in binnen- en buitenland en investeerden dat geld in megalomane projecten en verlieslijdende mammoetbedrijven om zich van de loyaliteit van de eigen burgers te verzekeren. Verliezen werden gedekt met ongedekte leningen, tekorten werden gedekt door de geldpers te laten draaien. In 1987 beliep de inflatie 162 procent en in 1989 2.733 procent.

Die hyperinflatie werd bedwongen door premier Ante Markovic, met een streng stabilisatieprogramma dat was gericht op een economisch herstel van heel Joegoslavië, op een Joegoslavische eenheidsmarkt en op een verruiming van de bevoegdheden van het centrum, Belgrado. Dat beleid was uiteraard immens impopulair bij de leiders van de republieken, die dan ook alles deden om het te saboteren, vooral door (illegaal) 'grijs geld' uit te geven, achter de rug van Belgrado om, in de vorm van ongedekte leningen en waardepapieren.

Die sabotage leidde tot de mislukking van Markovic' stabilisatieprogramma, de vernietiging van de Joegoslavische markt en van Joegoslavië zelf: kort nadat was onthuld dat Servië tussen oktober 1990 en februari 1991 langs slinkse wegen en illegaal 22,7 miljard dinar (toen 3,1 miljard mark) aan 'grijs geld' had geschapen en daarmee zowel het monetaire systeem als de geloofwaardigheid van Joegoslavië had vernietigd, kondigde Slovenië zijn uittreden uit de federatie aan: “De Sloveense regering is ervan overtuigd dat samenwerking op basis van een minimum aan vertrouwen in Joegoslavië niet langer mogelijk is.” Enkele maanden later stapten Slovenië en Kroatië uit de federatie, gevolgd door Bosnië en Macedonië.

De leiders van Servië en Montenegro bleven achter in een geamputeerd Joegoslavië dat verwikkeld was in een dure oorlog en dat politiek, en na de afkondiging van de internationale sancties ook economisch geheel geïsoleerd was. Dat Joegoslavië gaf meer dan driekwart van zijn begroting uit aan defensie. Om de begrotingstekorten te dekken werd de geldkraan opengezet: het begin van een nieuwe hyperinflatie.

Over de vraag hoe de Joegoslavische leiders zich vanaf het begin van de oorlog economisch staande hebben weten te houden, hebben al heel wat waarnemers zich het hoofd gebroken, vooral na de invoering van de economische sancties. Hoe kwam Belgrado aan de valuta die nodig waren om de economie gaande te houden en om de smokkel van brandstof en andere benodigde buitenlandse goederen te financieren? The Wall Street Journal heeft eens een boekje open gedaan over het hoogst efficiënte netwerk van smokkel en diefstal dat vanuit Belgrado over Europa werd gelegd: het bestond uit een groot aantal kleine dieven en zakkenrollers die overal in Europa credit cards stalen, waarmee bankrekeningen van particulieren werden geplunderd. Een in Madrid of Oslo gerolde portefeuille werd nog dezelfde dag naar Wenen overgebracht. Daar werden die bankrekeningen leeggehaald, waarna het geld naar Belgrado werd gesmokkeld. Andere netwerken richtten zich op de smokkel van brandstof. Bij Szeged in Hongarije zijn ondergrondse pijpleidingen ontdekt, waarmee benzine naar Joegoslavië werd gepompt - en alcohol vanuit Joegoslavië naar Hongarije. Het meer van Shkodër, aan de Albanees-Montenegrijnse grens, is inmiddels volledig vervuild door de olie die er deze vier jaar in is beland door ongelukken met smokkelbootjes.

Maar hoe efficiënt die netwerken ook zijn geweest, ze geven geen antwoord op de vraag achter de hyperinflatie van 1992 en 1993, die 352 biljoen procent.

De Servische econoom Mljadan Dinkic heeft na een studie van twee jaar veel vragen kunnen beantwoorden. Zijn boek Ekonomija destrukcije / Velika pljacka naroda (De economie van de vernietiging / De grote beroving van het volk) is inmiddels in Servië aan zijn derde druk toe.

Dinkic komt tot de conclusie dat het eerste en waarschijnlijk enige doel van de Servische leiders, tevens het belangrijkste motief achter de bewust aangewakkerde hyperinflatie, erop was gericht zich meester te maken van de valutareserves van de Servische bevolking. Dat geld, twintig miljard mark op rekeningen en acht miljard mark in contanten in de oude sok, moest de bevolking uit de zak worden geklopt. Het lukte met de hyperinflatie - en hoe.

De inflatie werd aangewakkerd door de geldpers zo hard mogelijk te laten draaien. De regering nam de Nationale Bank haar controle op de gelduitgifte af en zette de geldpers, Topcider in Belgrado, in de hoogste versnelling. In 1993 werden per etmaal 1,9 miljoen biljetten van de hoogste denominatie gedrukt.

Daarnaast werden door instanties buiten de Nationale Bank om enorme hoeveeldheden grijs geld geproduceerd. Enkele geprivilegieerde banken - staatsbanken en pseudo-particuliere banken - deden dat door ongedekte leningen te geven, doorgaans aan bedrijven. De hoeveelheid grijs geld liep ondanks die op topsnelheid werkende geldpersen op tot zes keer de hoeveelheid contant geld in omloop.

De bedrijven gebruikten dat geld niet voor de produktie, want daarvan was nauwelijks nog sprake. Dat nieuwe geld was alleen bedoeld om snelle winsten te maken op de valutamarkt: de bevolking kreeg te maken met een dinar die dagelijks minder waard werd, was al snel niet meer in staat van het in dinars uitbetaalde loon te leven en moest haar valutareserves aanspreken.

De zwarte markt in valuta - geldwisselaars op straat en wisselkantoren - maakte de indruk spontaan te zijn. In feite werd die zwarte markt geschapen en strikt gecontroleerd door de staat en die paar geprivilegieerde banken die de geldstroom controleerden. Er bestond een heel netwerk van nauwkeurig gecontroleerde zwartgeldwisselaars die elke ochtend stapels nieuwgedrukt geld in ontvangst namen. En elke transatie leverde dankzij de razendsnelle geldontwaarding reuzenwinsten op.

Een voorbeeld. De nationale bank NBJ gaf voortdurend nieuwe bankbiljetten uit. Nieuwe biljetten, met een gezamenlijke waarde van - bijvoorbeeld - 150 miljoen dinar, werden in kluizen van de NBJ en de postkantoren opgeslagen. Eén dag voordat ze officieel in omloop kwamen werd voor 75 miljoen dinar aan biljetten uitgedeeld aan gepriviligieerde straatwisselaars. Op dat moment was de zwarte koers - bijvoorbeeld - 10 dinar per mark. Voor die 75 miljoen dinar kochten de wisselaars 's ochtends op straat 7,5 miljoen mark op. Door de massale uitgifte van nieuw geld steeg de koers tot 15 dinar per mark. Daarop verkochten de wisselaars 's middags 5 miljoen mark. Ze kregen daar de 75 miljoen dinar voor die 's ochtends uit de kluizen van de NBJ en de postkantoren waren gehaald. Dat geld werd teruggegeven en weer in de kluizen gelegd, zodat dat geld die kluizen officieel nooit had verlaten. De winst: 7,5 minus 5 miljoen mark: 2,5 miljoen mark. Die truc werd toegepast bij de uitgifte van elk van de 24 nieuwe bankbiljetten die alleen al in 1993 in omloop werden gebracht. De winst voor de architecten van de manoeuvre: tussen 2,5 en 16,7 miljoen mark per nieuw biljet in 1993.

Ook met grijs geld werden gigantische winsten behaald. Een voorbeeld: een bank gaf een bedrijf een krediet van één miljoen dinar over een periode van dertig dagen. Als borg betaalde het bedrijf de bank 300.000 dinar. Voor de 700.000 dinar die het bedrijf in handen kreeg kocht het bij een wisselkantoor marken tegen de koers van 125 dinar per mark. Het kocht aldus 5600 mark. Het wisselkantoor had nu de 700.000 dinar om de burgers te betalen van wie het een dag eerder 7000 mark had gekocht voor de toen geldende koers van 100 dinar per mark. Het wisselkantoor hield aan de transactie dus 1400 mark winst over (7000 minus 5600 mark).

Na 30 dagen moest bedrijf de bank een miljoen dinar - in feite 700.000 dinar - terugbetalen. Omdat de koers van de mark inmiddels was gestegen tot 500 dinar per mark, had het daarvoor maar 1400 mark nodig. Het bedrijf hield aan deze transactie dus 4200 mark winst over. Het bedrijf en het wisselkantoor wonnen - de gewone man verloor: hij was zijn zuurverdiende marken kwijt.

Het lijkt of in deze voorbeelden de werkelijkheid wordt aangedikt en dat de vermelde koersdaling van de dinar ten opzichte van de mark wordt overdreven. Maar midden 1993 steeg de koers van de mark ten opzichte van de dinar met 9,2 procent per dag en het zou nog erger worden.

Alle banken en wisselkantoren in Joegoslavië hebben in de jaren 1992 en 1993 niets anders gedaan dan dit soort transacties - op miljardenschaal. En al die transacties werden gecontroleerd door een kleine politiek-financiële elite, die daar steenrijk van is geworden. In twee jaar is de bevolking met dat grijze geld zo goed als al haar spaargeld ontfutseld, aan contant geld alleen al tenminste zes miljard mark. Toen aan deze praktijken een eind werd gemaakt omdat niemand nog dinars accepteerde en alleen de mark nog als betaalmiddel fungeerde, in december 1993, beliep de inflatie 20.000 procent per maand - een maand later was die 313 miljoen procent.

Een ander voorbeeld van de beroving van de bevolking was het grote graanbedrog van 1993. De regering was in de lente van 1993 met de boeren overeengekomen voor een kilo graan de toenmalige tegenwaarde van 0,24 mark te betalen. Om de aankoop van graan te betalen werd voor 390 miljoen mark nieuwe dinars gedrukt. In plaats van dat geld de boeren te geven, werd het uitbetaald aan tussenpersonen - banken, ministeries - die er prompt mee gingen speculeren op de valutamarkt. De koers van de mark schoot door die enorme toevloed van nieuw geld omhoog. Na de operatie was de dinar aanzienlijk minder waard dan ten tijde van de afspraken tussen de regering en de boeren: die kregen in de zomer van 1993 uiteindelijk de tegenwaarde van 0,02 mark per kilo graan. De staat kreeg zó veel graan voor zó weinig geld dat hij - nobel als hij is - gratis graan kon uitdelen om de toenemende ontevredenheid te dempen. De rekening werd, als altijd, door de gewone man betaald: niet alleen raakte hij zijn gespaarde marken kwijt, de door bedrog wijs geworden boeren besloten voortaan hun oogst voor valuta te verkopen. De stedeling kreeg dus wel gratis graan, maar moest marken neertellen voor het vlees, de aardappelen en de uien.

Wat gebeurde er met de miljarden die aldus uit de zakken van de gestaag verpauperende bevolking werden geklopt? Werd de import ermee gefinancierd? Nee - daarvoor had Belgrado valuta genoeg gestolen uit de boedel van het oude Joegoslavië. Werden er wapens mee gekocht? Nee, alle zes de ex-Joegoslavische republieken gaven tussen 1992 en 1994 samen maar anderhalf miljard dollar uit aan wapens. Werden er begrotingstekorten mee aangevuld? Ook niet: die werden gedekt door de geldpers van Topcider.

Het overgrote deel van de woekerwinsten verdween, zo concludeert Dinkic, in de zakken van die kleine politiek-financiële elite: ministers en directeuren van geprivilieerde banken, wisselkantoren en staatsbedrijven, een kleine kongsi van manipulerende leiders die de geldschepping controleerden. De meeste politieke leiders in Servië leiden - nog steeds - florerende bedrijven. De Servische premier leidt het bedrijf Progres, de grootste gasimporteur en een van de grootste exportbedrijven van het land. De voorzitter van het parlement is tevens chef van Jugopetrol, 's lands grootste oliedistributeur. De minister voor monetaire hervormingen leidt de grootste holding voor meubel- en textielfabricage. De vice-premier is baas van 's langs grootste supermarktketen, de minister van landbouw heeft een voedselverwerkingsbedrijf en de die van economie is manager van een groot metaalbedrijf.

De miljoenenwinsten van deze elite werden per diplomatieke post in zakken met 20 tot 30 miljoen mark naar het buitenland gevlogen, op weg naar privérekeningen in het buitenland. Na de instelling van de sancties werd het naar Roemenië gesmokkeld en naar Cyprus overgevlogen, naar het filiaal van de bank Beobanka, dat werd geleid door Borka Vucic, vriendin, vertrouwelinge en oud-collega van de Servische president Slobodan Milosevic, ex-directeur van Beobanka.

Diverse pseudo-particuliere banken hebben in de grote beroving van het Servische volk een belangrijke rol gespeeld. Jugoskandic, de bank van de schimmige zakenman Jezdimir Vasiljevic, was er een. Dinkic vergelijkt hem met “de bokser die elke tegenstander aankan als het maar donker genoeg is”. Zijn Jugoskandic trok miljoenen spaarders aan met valutarekeningen waarop hij per maand uiteindelijk veertien procent rente beloofde - uit te betalen in marken. Dat fenomenale percentage werd gefinancierd met het geld van nieuwe inleggers, het witwassen van legale en illegale winsten van Westerse bedrijven en het monopolie op de distributie van sigaretten en olieprodukten, dat Vasiljevic van de regering kreeg. Met die distributie werden schatten verdiend: Jugoskandic betrok benzine in het buitenland voor 0,35 mark per liter en verkocht die voor 0,80 mark per liter. Invoerrechten werden in dinars betaald - met zoveel vertraging, dat uiteindelijk door de geldontwaarding vrijwel niets werd betaald.

Maar op den duur kon de maandelijkste uitbetaling van veertien procent rente op markenrekeningen natuurlijk niet goed blijven gaan: daarvoor groeide Jugoskandic te snel. In de nacht van 7 op 8 maart 1993 ontvluchtte Vasiljevic Joegoslavië, miljoenen spaarders bedrogen achterlatend. In het buitenland legde hij uit dat de staatsambtenaren die hij had moeten omkopen, te gierig waren geworden. Bij opening van de kluizen bleek honderd miljoen mark spoorloos verdwenen: dat was het geld dat Vasiljevic de politiek-financiële elite had betaald om het land ongedeerd te kunnen verlaten. Zelf had hij 'slechts' een half miljoen mark meegenomen.

Nog bonter maakte het Dafina Milanovic, een wegens fraude en vervalsing herhaaldelijk veroordeelde bankemployée die de bak Dafiment oprichtte. Zij beloofde de Serviërs op hun markenrekening dertien en uiteindelijk zelfs achttien procent rente per maand, te betalen in marken. Miljoenen trapten erin: voor de loketten vormden zich kilometerslange rijen en mensen verkochten, in de hoop snel rijk te worden, hun woningen, auto's en laatste bezittingen om de hyperinflatie te ontkomen, hun steeds waardelozer dinars in marken om te wisselen en die marken naar Dafina, “de moeder van Servië”, te brengen. Uiteindelijk telde Dafiment veertien miljoen inleggers - meer dan de totale bevolking van Joegoslavië - die samen meer dan een miljard mark hadden ingelegd.

Het ingelegde geld werd zogenaamd belegd in projekten die nooit werden gerealiseerd: kantoorgebouwen die nooit werden gebouwd, metrolijnen die nooit werden aangelegd. Later bleek dat zeshonderd miljoen mark aldus of via alleen in naam bestaande bedrijven was verdwenen naar bankrekeningen van de politiek-financiële elite in het buitenland. Dafina zelf pikte 58 miljoen mark in, haar broer twaalf miljoen.

Het liep natuurlijk uiteindelijk mis. Toen Vasiljevic vluchtte kwam ook het eind van Dafiment. Het vertrouwen in “de moeder van Servië” was op slag verdwenen en opnieuw vormden zich kilometerslange rijen voor de loketten van Dafiment, nu van mensen die hun geld opeisten. In de chaos werden mensen doodgedrukt en onder de voet gelopen.

Helaas: geld was er niet. Van de één miljard ingelegde marken werd welgeteld drie miljoen mark aangetroffen. Bejaarden die hun huis hadden verkocht kregen uiteindelijk de tegenwaarde van één brood voor hun inleg terug. De rest was verdwenen in de zakken van wat de socioloog Stjepan Gredelj de nieuwe “lumpenoligarchie” heeft genoemd.

Aldus verpauperde de bevolking. De dinar was waardeloos, en valuta had eind 1993 vrijwel niemand meer. In december 1993 kon van het gemiddelde maandpensioen welgeteld één kilo wortelen worden gekocht.

De hyperinflatie werd uiteindelijk op simpele wijze gestopt: op 24 januari 1994 introduceerde de nieuwe voorzitter van de Nationale Bank, Dragoslav Avramovic, oud-medewerker van de Wereldbank, een nieuwe dinar, die convertibel werd en op basis van één op één werd gekoppeld aan de mark. De geldpers werd stilgezet. Het psychologisch effect was verbazingwekkend: op slag herstelden de Serviërs hun vertrouwen in de eigen munt, de prijzen begonnen te dalen, fabrieken gingen weer draaien en er werd weer geproduceerd.

Het gaat sindsdien beter, vooral dankzij Avramovic, architect en bewaker van de Nieuwe Dinar. Maar echt goed gaat het niet, en hoe kan het ook als de communistische politiek-financiële elite die de hyperinflatie bewust op touw heeft gezet om het eigen volk te beroven, nog steeds dezelfde is? De monetaire discipline duurde niet lang en er werden al in 1994 weer onbeperkt kredieten gegeven aan de verkeerde bedrijven - geprivilegieerde, maar inefficiënte en verlieslijdende staatsbedrijven. Al in juli 1994 stonden tachtig van de honderd banken in het rood. In oktober 1994 werd ook weer op grote schaal illegaal grijs geld uitgegeven, waarna de koers van de nieuwe dinar instortte. In november vorig jaar had de superdinar al 61 procent van zijn waarde verloren. In 1995 beliep de inflatie 119 procent en waren de reële inkomens na een korte opleving weer gaan dalen. En de inflatie groeit: in januari van dit jaar beliep ze 9,5 procent, vorige maand vijftien procent. Joegoslavië lijkt opnieuw op weg naar hyperinflatie. Net als in 1992 daalt ook de produktie weer: in januari werd 4,1 procent minder geproduceerd dan het maandgemiddelde ten tijde van de sancties.

De kleine elite is blijven zitten waar ze zat: aan de geldkraan. Niemand heeft tot nu toe de arrestatie van de daders van de meest massale diefstal in decennia gevraagd. Al te makkelijk hebben die daders, de Servische leiders, de schuld van alle misère op het buitenland kunnen afwentelen: dat heeft Servië met de internationale sancties te gronde gericht. En de Serviërs geloven het.

De ergste consequentis van de hyperinflatie is echter niet die verpaupering, maar de pychologische schade die is aangericht. De principes van de vrije markt en het vertrouwen in de centrale instanties van de staat en het bankwezen zijn hopeloos gecompromitteerd. De geldende economische logica is vernietigd, mensen zijn op massale schaal uitgeschud, en abnormale fenomenen als zwarte markt, financiële speculatie, illegale transacties, diefstal, oplichting, corruptie, afzetterij, wetteloosheid, omkoping en straathandel werden in de ogen van iedereen, rijk of arm, 'normaal' en alledaags: de hele samenleving is weggegleden in de misdaad. Alle morele normen zijn ingestort en gecompromitteerd, omdat de Serviërs is geleerd dat eerlijkheid tot niets leidt, en oneerlijkheid althans nog een kans biedt op overleven. Dinkic: “Er is een sociaal en psychologisch gedegenereerde samenleving geschapen.” De heersende elite heeft van Servië een land van criminelen gemaakt: alleen als crimineel kon men het lot ontkomen van die bejaarde in Kraljevo, die zijn laatste geld uitgaf aan een stuk salami, naar huis ging, zijn salami opat en zich ophing, met achterlating van een briefje: “Ik zal niet van honger sterven.”