Hollands Dagboek: Gerard Reve

Gerard Reve (1923) is schrijver. Vorige week verscheen zijn roman 'Het Boek Van Violet En Dood', die hij sinds dertig jaar aankondigt als het mythische boek dat alle boeken behalve de bijbel overbodig moet maken. Reve woont met zijn levensgezel Joop Schafthuizen (Matroos Vosch) en de katten Majesteit, Kroonprins, Sneeuwwitje en Broertje in België.

Woensdag 28 februari

Zoals u weet klaag ik nooit, zelfs als er geen reden voor is. Ik ging naar de winkel, en welk een prachtig weder was het rondom! Het werd een geweldige dag, dat kon niet anders. Op de terugweg naar mijn woning keek ik omhoog, en ziet: er stond een groot wit kruis aan de hemel. Ik vertelde het aan Matroos Vosch, en die zeide het komt gewoon van de vliegtuigen. Het is wat men gewoon noemt: hebt U ooit een vliegtuig een kruis zien slaan? Ik niet.

Men hoort van alles. Na de Mis van jongstleden zondag maakte ik een praatje met onze pastoor. “Gerard”, vroeg hij mij, “denkt gij dat er een voortbestaan is na de dood?” Ik zeide: “Daar vraagt ge mij wat! Ik zal er over nadenken, en ik wil kijken of ik het ergens kan opzoeken. Er is literatuur over.”

Vandaag was het helemaal een goede dag. Nergens pijn, en mijzelf voelde ik ook goed. Ik wilde echt een man zijn die de strijd niet uit de weg gaat.

Gisteren in de lunchpauze een voordracht gehouden in de grote stad Gent. Een volle zaal, met veel jonge mensen die gezamenlijk wilden bouwen aan een nieuwe en rechtvaardiger maatschappij. Daarna signeerde ik boeken. Een jongen viel mij wenend om de hals en kuste mij. Zijn tranen bevochtigden mijn gelaat. Ik kuste ook hem, en kon slechts enkele woorden uitspreken: “Lieve jongen...” Matroos kan het bevestigen, als een of andere persmuskiet mocht beweren dat het niet waar is. Neen, het is waar gebeurd, en niet door verdienste maar door Genade.

Donderdag

Wij zitten nu in een hotel in Den Haag waar het doodstil is. Doodop maar voldaan. Ook Matroos is zeer tevreden. Wederom opgetreden voor een volle zaal. Twee hoofdstukken voorgelezen uit mijn nieuwe boek dat vandaag verschenen is: vóór de pauze Hoofdstuk Tien, over mijn verblijf in de ontwenningskliniek, wegens een delirium, en na de pauze Hoofdstuk Zestien: het verhaal over de asthmatische jongen in het ziekententje. Beide hoofdstukken zijn treuriger dan iemand anders het bedenken kan, maar de zaalvloer dreunde van het lachen.

En het boek zelf was er, dus dat kocht men. Het was net verschenen. Ook beantwoordde ik schriftelijke vragen, die tijdens de pauze waren ingediend. Eén ervan had betrekking op het natuurlijk schaamtegevoel, waarvan ik wel eens gewag heb gemaakt. De vrager of vraagster wilde graag weten of er volgens mij ook in de Natuur schaamte bestond. Ik gaf van die natuurlijke schaamte een duidelijk voorbeeld, namelijk dat van de twee honden die het aan de openbare weg met elkaar doen: de ene hond kijkt naar rechts en de andere hond naar links, elk dus een andere kant uit, om te zien of er politie aankomt. Een zichtbaar voorbeeld is altijd beter dan een theoretisch betoog.

Vrijdag

Het mag een wonder heten dat wij thuisgekomen zijn. Wij stonden op in dat hotel, begaven ons per taxi naar Station Hollands Spoor, en daar bleek ons dat er in België door de staking geen treinverkeer was. Matroos kocht kaartjes naar Roosendaal. Aldaar zouden wij zien hoe wij verder konden komen, want er bestonden misschien lijndiensten van autobussen. In de trein naar Roosendaal riep een stem uit de luidspreker dat een stoptrein naar Antwerpen op onze trein aansloot, en dat bleek inderdaad het geval te zijn.

Antwerpen is een stad met sociale problemen en tegenstellingen, maar het Centraal Station is en blijft een droom van schoonheid. Ik dacht als het moet dan blijven wij hier gewoon zitten, drinken en eten iets want er zijn volop comfortabele banken. Er liepen geen treinen meer, maar frieten en ballen gehakt met brood en zuur waren zonder rantsoenbon of knipkaart in de vrije verkoop, en de krantenkiosk was open en stond vol met binnen- en buitenlandse periodieken en boeken. Met een mooi boek vliegt de tijd om, dat weet iedereen.

Het was precies 12 uur a.m., en om 10 uur p.m., reeds tien uur later dus, zouden de treinen wederom gaan rijden. Buiten regende het nog steeds maar in een station, net als in een huis, regent het nooit. Matroos echter maakte zich zorgen over de Vier Dieren, onze vier katten dus, die wij thuis hadden moeten achterlaten, wel met voldoende eten en drinken, maar misschien zoude de lange eenzaamheid hen overstuur maken. Het waren en zijn onze lievelingen. De oudste is groot en waardig, zwart met wit, en heet Majesteit, al noemt Matroos haar Willy. De kleinere zwart-wit poes heet Kroonprins, door Matroos Cor genoemd. De witte kat heet volgens mij Sneeuwwitje, maar Matroos zegt Marc. De vierde en kleinste poes, cypers met veel oker, heet Broertje, terwijl Matroos Leentje zegt. O, welk een liefde en begrip ontvangen wij van deze vier montere trippelaars op onhoorbare voetjes! Hoewel het U eigenlijk niet aangaat vertel ik U dat Majesteit en Kroonprins, No. 1 en No. 2 dus, beiden niet katholiek zijn: zij zeggen wij willen liever een open opinie behouden. Nu, dat kan. Sneeuwwitje en Broertje zijn beiden zeer katholiek, waarschijnlijk omdat zij nog zeer jong waren toen ze bij ons kwamen wonen. Hier geldt jong geleerd oud gedaan, al zijn zij nog niet oud. Een verdere bizonderheid is dat de witte kat (Sneeuwwitje) ogen van verschillende kleur heeft: het ene oog is lichtblauw, het andere lichtoranje. Een witte kat met twee kleuren van ogen is altijd doof, dat is een natuurwet, al is in dit geval de doofheid niet totaal: een stoel die omvalt die hoort hij, maar zang en spraak ontgaan hem, zodat hij zelf zonder geluid mauwt. Maar wel door en door gezond, en zeer stoeigraag, echt een deugniet van een robbedoes.

Zaterdag

Ik heb U nog niet verteld hoe wij gisteren zijn thuis gekomen. Vaak word ik zo maar bang dat ik per ongeluk achtergelaten word en ook niet meer weet wie ik ben, omdat ik mijn papieren niet meer bij mij heb. Hoe moet dat dan? Uitwijzing naar Peru, denk ik, en gewoon op een vrachtvliegtuig gezet, zo gaat dat, en een ander gaat zich voor mij uitgeven die mijn handschrift en mimiek klakkeloos heeft overgenomen. Brutaal hoor, maar het openbaar ministerie staat machteloos.

Neen, het ging zo: nadat Matroos en ik in Antwerpen waren aangekomen ging Matroos informeren of er autobussen van stad tot stad bestonden, en of die op deze stakingsdag waren blijven rijden. Omdat hij geen uitsluitsel kreeg, nam hij een taxi naar huis. Wel een fors bedrag, maar geen afzetterij.

Voort ging het dus, langs velden en wegen. Ik genoot van al de huizen die voorbij snelden, en had daarbij gedachten, net als in Hoofdstuk Eén en Twintig van Het Boek van Violet En Dood, dat toevallig de vorige dag verschenen was. Wat een prachtige uitvoering, en welk een kleurenpracht op het omslag! En zelden had ik zulk een mooie flaptekst gelezen, op het omslag dus: mooier en waarheidsgetrouwer dan ik hem zelf had kunnen schrijven.

De taxichauffeur bracht ons in drie kwartier thuis. Zelf zoude ik er misschien anderhalf uur over gedaan hebben, door mijn belangstelling voor de woonstedes die opdoemden en wederom achter mij verdwenen zonder dat ik ooit zoude weten of er misschien een jongetje in woonde dat net zo eenzaam was als ik.

De poesjes waren zo blij dat we terug waren! En wij natuurlijk ook erg dankbaar dat wij onze viervoetige huisgenootjes tevreden aantroffen in hunne respektieve mandjes en dozen, lekker warm dus, wat wel fijn was want in de tuin was het veel te guur om buiten te spelen. Wat is er schoner dan vrede en saamhorigheid?

Zondag

Vanmorgen eerst naar de H. Mis in de Mariakapel. Vader D., onze pastoor, was heel tevreden over mijn voordracht in Gent, want hij had die bijgewoond. Het was hem opgevallen dat zulk een groot deel van het publiek uit jongeren bestond. Ik zeide dat komt omdat de jeugd meer dan ooit een antwoord zoekt op de grote levensvragen. Hij beaamde dat. De waarheid is dat de jeugd genoeg heeft van al die vuilschrijverij, overspelige spelletjes, S.M.-troep en soortgelijke ontsporingen die vooral de jonge ziel bezoedelen.

Zojuist naar de tijdschriftenkiosk geweest, en kranten gekocht. De eerste besprekingen van mijn boek gelezen. De meeste zeer gunstig, enkele zuinig en laatdunkend met het verwijt, 'dat ik altijd over hetzelfde schrijf'. Dat geldt toch voor iedere schrijver en voor alle kunstenaars in het algemeen? Een kunstenaar heeft toch slechts één thema, één visie op het bestaan, één levensgevoel? In Bezorgde Ouders staat toch, wat al in Werther Nieland is aangeroerd? Liefde en Dood, daar gaat het bij mij over, want alleen daarmede kan ik uit de voeten. Niet over Macht, niet over Avontuur, niet over Misdaad, en evenmin over Emancipatie. Evenmin ben ik een vernieuwer of baanbreker; daar heb ik gewoon de tijd niet voor, zo zit dat. Trouwens: het kan alleen maar erger worden.

Maandag 4 maart

Vandaag op de Verrekijk een leuke film gezien over een man met een verlamde arm, zodat hij zelf niet een gebraden kip kon voorsnijden maar aan een ander moest vragen wil jij die kip voorsnijden want ik kan het niet. Uit die kip spoot toen allemaal vloeibare troep en opeens gleed hij, die kip dus, weg van het dienbord en kwam op een ander zijn schoot terecht. Het was een cultureel programma, maar ik heb zo vreselijk moeten lachen dat ik telkens opnieuw in de lach schoot.

Als een dag op een bepaalde manier goed begint dan gebeuren er aldoor achter elkaar nog meer fijne dingen. Ik ontving namelijk het prachtig gekleurde blad Libris (El Dorado Voor Lezers). Het wordt in de brievenbus van één en een kwart miljoen koopkrachtige gezinnen gratis aan huis bezorgd. Prachtig in kleuren gedrukt, en wat stond er op het omslag? Een schoon meideken dat Het Boek Van Violet En Dood zit te lezen, een boek dus dat ik geschreven heb. Haar rokje is nogal kort en de bovenste knoop van haar wolletje of boezeroentje staat open, maar toch is de foto heel decent. Is het een katholiek meideken? Dat zoude best kunnen, want op haar schouder zit een papegaai die met haar mede leest, één van de twee vogels die door de Kerk als katholieke dieren zijn erkend. Dus alles klopt, want het grootste deel van mijn lezersbestand bestaat uit vrouwen, vaak ook moeders van kinderen. En de zeer hooggeplaatste persoon die geen boek van mij wil missen en alles van mijn pen leest, die is ook een vrouw: het een heeft altijd met het ander te maken.

En reeds nu verheug ik mij zeer op de komst van Johann Peter, die ik beschouw als mijn Eckermann. Wij gaan samen de door mij op te richten staatkundige partij grondig bespreken, maar voorlopig blijft alles natuurlijk geheim. De talenkennis van deze Johann Peter is ongehoord groot. Hij leest alles wat ik schrijf voordat het naar de uitgever gaat, voor de continuteit en om te voorkomen dat er iets verkeerds in staat. Hij schrijft en spreekt Duits net zo goed als ik, maar weet veel meer over de literatuur van ons stamverwante broedervolk. Over die door mij op te richten partij heeft hij zeer pragmatische ideeën, terwijl ik soms te onbesuisd te werk ga. Hij houdt van het werk van Rainer Maria Rilke, dat ik verfoei, maar wij zijn eensgezind in onze gemeenschappelijke verering van de Frühromantiker, waartoe men ook Eichendorff kan rekenen. Hij overschat Goethe schromelijk, maar daartoe heeft hij het recht. En hij kan iemand inspireren en moed inspreken, waarschijnlijk omdat hij niet zo verknipt is als ik. Ik ben gestoord, pervers, overgevoelig en manisch-depressief terwijl hij het degelijke en huiselijke karakter vertegenwoordigt. Van die sekstroep in mijn boeken waardeert hij wel het correctionele en politionele aspect als positief, maar hij staat er boven, zonder er op neder te zien. Matroos Vosch is ook erg op hem gesteld. Af en toe een normaal mens over de vloer kan geen kwaad. Johann Peter zijn vader z.g. was een katholieke politie, die door het gehele korps op de handen gedragen werd. In zijn gezin woonde orde: je moest je best doen op school, en je mocht niets wegnemen wat van een ander was. In de boeken die ik schrijf heb ik niet veel aan normale, oppassende mensen, omdat zij de handeling vertragen en ophouden. In mijn boeken schuifelen allerlei gestoorde typen rond, heel anders dus dan bij mij thuis. God beware ons, als ik bijvoorbeeld iemand als die Treger uit Bezorgde Ouders hier in mijn eigen huis zoude binnen laten. Hij bedoelt het goed, maar het kan gewoon niet, welk een prachtig boek het ook moge zijn.

Hoofdzaak is dat wij zuiverheid betrachten op eigen lichaam en geest, eerbied tonen jegens de Natuur, en lief zijn jegens dieren en vogels, gekooid of in vrijheid, die net als wij, in angstige barensnood, wachten op verlossing.