Geraffineerd theater Herman van Veen

Voorstelling: Herman van Veen, m.m.v. Erik van der Wurff en Nard Reijnders. Gezien: 8/3 in de Stadsschouwburg, Arnhem. Tournee t/m 30/11.

Vijf jaar lang trad Herman van Veen uitsluitend buitenslands op, maar nu is hij tot eind dit jaar weer terug - en het is alsof hij nooit is weggeweest. Zijn optreden is hooguit wat gekleurd door zijn lange verblijf in Duitsland, waaraan hij een paar wrange grappen over Berlijn heeft overgehouden en het prachtige lied Grand hotel Deutschland, met tekstflarden in het Duits, Engels en Nederlands, en een paar navrante zinsneden ('als travestiet gaat daar de dood gewoon zijn gang'). En verder is zijn orkest nu uitgedund tot twee man, maar het speelt nog altijd de karakteristieke Van Veen & Van der Wurff-muziek, gedompeld in die wonderlijke mengeling van weemoed en pregnante accenten.

“Zingen lukt me beter dan zwijgen,” zingt Herman van Veen in één van de nieuwe liedjes in deze show, die daarnaast ook onbekommerd teruggrijpt op elementen uit eerdere voorstellingen. Maar hij melkt ze niet uit. Zelfs als hij begint nog eens iets te zingen van zijn allereerste langspeelplaat (bijna dertig jaar geleden!), blijft dat tot een enkel coupletje beperkt en komt er al snel weer iets anders. Associatief verbindt Van Veen een chanson met een grap of een mini-verhaaltje, een zotte conference in Utrechtse tongval met een visuele kwinkslag en een op muziek gezet gedicht van Judith Herzberg of Willem Wilmink met een stukje Vivaldi op viool, piano en sopraansax.

Net als vijf jaar geleden loopt hij rond met confetti in zijn broekzak en een rinkelhoed op zijn hoofd. En net als altijd combineert hij bekende nummers met nieuw repertoire. In die laatste categorie zingt hij onder meer een suggestief lied van eigen hand over een joods vriendinnetje dat onderdook voor 'de dode wind die altijd uit het oosten komt' en een verrassende variatie van Wilmink op het aloude Weet je nog wel oudje. Van eerdere datum, maar des te mooier, is een ode aan Jacques Brel: “Ik zong uw goed een kwart eeuw lang...”

Jongehonderig is Van Veen intussen nog maar zelden. Tijdens het voorlezen van een melancholiek monoloogje over een vriend uit de wilde jaren zestig zet hij nu zelfs een leesbril op. Uit de overrompelende harlekijn van vroeger en de met gemengde gevoelens beschouwde filosoof van later, wiens shows soms uitgroeiden tot een soort eredienst, is een man gegroeid die geraffineerd theater maakt, dat op het eerste gezicht heel eenvoudig oogt. Hij wekt de indruk alsof het allemaal ter plekke ontstaat, maar het wordt uitgekiend uitgelicht en de geluidstechniek is fenomenaal. Als hij over Brel zingt, heeft hij wat vellen papier in de hand, die hij tijdens het nummer één voor één naar beneden laat dwarrelen. Zo simpel als wat, maar het ziet er schitterend uit.