Franse politie verafschuwt het pragmatisme van Nederlandse collega's; Dralen op de drugsroute

Nu de drugshandel grensoverschrijdend is, moet de bestrijding dat ook zijn. Politiekorpsen in Nederland en Frankrijk roepen om het hardst dat ze willen samenwerken. Maar in de praktijk stuiten ze op bijna onoverkomelijke cultuurverschillen, een taalbarrière en de 'duivelse cirkel' van ambtelijke lagen. Wederzijdse wantrouwen aan een internationale drugsroute.

Alle gegevens hadden ze: de namen, adressen en telefoonnummers van twee Rotterdamse drugsdealers die zeventig verslaafden in het Franse Duinkerken dagelijks aan hun heroïne hielpen.

Samen met de Rotterdamse collega's dacht de politie in Duinkerken de zaak vorige zomer snel genoeg te kunnen afhandelen: ze stuurden de gegevens naar Rotterdam en wachtten het bericht over de arrestaties af. Dat kwam niet. Twee foto's van één verdachte en de vriendelijke groeten ontvingen ze, verder niets. Maanden later hoorden ze via een collega bij Europol in Den Haag waarom de Rotterdamse politie niet had opgetreden tegen de dealers: “Niet interessant genoeg”.

Wat is dat voor politie die drugsdealers laat lopen? Kan de handel in harddrugs ze dan helemaal niets schelen? vragen commissarissen in Noord-Frankrijk zich af.

“Wij willen niet alleen maar kilo's vangen”, zegt de Rotterdamse commissaris C. Bakker, verantwoordelijk voor de drugsbestrijding. “Wij zien drugshandel als een maatschappelijk probleem dat niet alleen vraagt om de jacht op dealers.” Hij kan zich voorstellen dat zijn korps op sommige verzoeken om arrestatie uit Frankrijk lauw reageert. “Kleine dealertjes zijn niet zo interessant, voor eén dealer zijn er zo tien nieuwe.” Hij bestrijdt dat de Rotterdamse politie niet tegen de harddrugs zou optreden. Met de 'operatie Victor' is zijn korps vorige zomer een offensief begonnen. “In acht maanden hebben we meer dan de helft van de Rotterdamse harddrugspanden gesloten.”

De commissarissen van Tourcoing en Duinkerken moeten hard lachen om de stelling dat het de Nederlandse politie menens is met de bestrijding van de harddrugs. Nederland roept bij hun onmiddellijk de associatie op met drugshandel. Frankrijk heeft last van het Nederlandse gedoogbeleid en wil - tegen het vorig jaar van kracht geworden Verdrag van Schengen in - zijn landgrenzen niet opheffen zolang Nederland niet harder optreedt. De onenigheid tussen Nederland en Frankrijk was begin deze maand reden voor premier Kok en president Chirac om een geplande bijeenkomst in Den Haag over drugspolitiek af te zeggen.

Toch willen de Noord-Franse politiekorpsen graag met Nederland samenwerken, gedoogbeleid of niet. Maar dan moet die samenwerking wel meer behelzen dan de uitwisseling van gegevens over gestolen auto's. Ze willen ervan op aan kunnen dat de Nederlandse politie de harddrugsdealers oppakt die hun burgers bevoorraden. Ze willen zien dat Nederland de komst van Franse drugstoeristen ontmoedigt. Ze willen antwoord op hun vragen over dealers. Ze willen, kortom, een signaal dat drugsbestrijding in Nederland net zo'n hoge prioriteit heeft als in Frankrijk. “Alle drugs in deze stad komen uit Rotterdam”, zegt het hoofd van de narcotica-bestrijding in het Franse grensstadje Tourcoing. Boven zijn bureau hangt aan een spijker de stille getuige van een vergeefse poging tot samenwerking: een houten plaatje met een politie-embleem en daaronder 'Politie Rotterdam'. Een cadeautje van een Rotterdamse politieman. “Hij kwam hier een paar jaar geleden om te zeggen dat we hem altijd mochten bellen. Maar toen ik een keer belde, bleek hij er al niet meer te werken.”

Verslaafden uit Tourcoing reizen iedere dag op en neer naar Rotterdam om drugs te kopen, zegt het hoofd van de narcotica-bestrijding. “Wij willen weten bij wíe zij die drugs kopen. Maar we worden in Rotterdam van het ene bureau naar het andere gestuurd. Misschien houdt Nederland niet van ons, misschien neemt Nederland het ons wel kwalijk dat wij andere opvattingen hebben over drugs.” De taal is ook een probleem, zegt hij. “Niemand spreekt Frans in Nederland en wij spreken nauwelijks Engels.”

Ambtelijk

Drugshandel is grensoverschrijdend, de bestrijding moet dat ook zijn - in theorie zijn de politiekorpsen het daar over eens. Maar de praktijk pakt anders uit. Nederland gedoogt softdrugs, tot ergernis van Frankrijk dat geen onderscheid maakt tussen hard- en softdrugs. Maar ook in de strijd tegen de handel in harddrugs schijnen de beide landen elkaar niet te kunnen helpen. Cultuurverschillen, een taalbarrière, ingewikkelde ambtelijke procedures en wantrouwen staan samenwerking in de weg.

De organisatie van de Franse politiediensten maakt samenwerking “verschrikkelijk moeilijk”, zegt de Rotterdamse commissaris Bakker. Begin december ondernam “maar liefst de hele korpsleiding” een reis naar Lille om een aanbod te doen: de permanente afvaardiging naar Noord-Frankrijk van een Nederlandse politieman. Maar dat blijkt niet zomaar te gaan. Voor de totstandkoming van eén aanspreekpunt, moeten eerst de vier verschillende Franse autoriteiten die zich met de politie bemoeien over het beleid eens worden. “In plaats van elkaar te bestrijden”, zegt Bakker. Bij de Nederlandse politie zijn ordehandhaving en drugsbestrijding in eén hand, bij de Franse politie zijn die diensten gescheiden. Bakker ziet “weinig van coördinatie” bij de Franse politiediensten. “De eén wil niet dat de ander succesvol is. Niemand neemt verantwoordelijkheid voor het geheel.” De Franse korpsen zijn weinig autonoom. “Toen we in Lille afspraken wilden maken over samenwerking, riep een man van de Police Nationale steeds: 'Ho, Ho heren! Daarvoor is toestemming van Parijs nodig!' Dat maakt de samenwerking wel erg moeilijk.”

“Wij willen niet anders dan samenwerken met Nederland!” roept de commissaris van Tourcoing die met de drugsbestrijding belast is. Hij is een kleine man die er prijs op stelt dat men hem 'Monsieur le Commissaire' noemt. Uit angst voor represailles uit Parijs wil hij zijn naam niet in de krant hebben. Het hoofd van de narcotica-bestrijding had al gewaarschuwd: “Ik ben sceptisch over Nederland, maar mijn baas de commissaris is nog veel erger”. De commissaris heeft niet de indruk dat Nederland iets doet aan drugsbestrijding. “In Rotterdam kun je een kilo heroïne kopen alsof het niets is”, zegt hij. De operatie 'Victor' in Rotterdam, waarbij Franse drugsverslaafden worden teruggestuurd, is volgens hem tot dusver geen succes. “Ze brengen de verslaafden over de grens naar Frankrijk zonder proces-verbaal. Wat kan ik dan doen? Zo kan ik niemand vervolgen.”

Inderdaad, zegt Bakker, die procedure deugde niet. Het proces-verbaal moest via tenminste drie ministeries in de beide landen, “en dan ben je twee maanden verder”. Maar recent gemaakte Frans-Nederlandse afspraken moeten een einde maken aan dat administratieve circus, zegt hij.

De commissaris van Tourcoing vermoedt dat de opbrengsten van cannabis in Nederland die van de Hollandse tomaten inmiddels ruim overstijgen. “Misschien” zegt hij, - het is maar een persoonlijke suggestie - “is Nederland wel zo tolerant omdat er zo goed aan de drugs wordt verdiend?” Nee, hij vraagt niet van de Nederlanders dat zij een gang naar Canossa maken en hun drugsbeleid veranderen. Maar het zou wel makkelijk zijn áls het gebeurde. “Nederland hoeft niet op de knieën”, zegt hij. “Maar voor samenwerking zijn er twee nodig.”

Hiërarchie

Het Brabantse korps Zundert-Rijsbergen aan de Belgische grens is juist wel te spreken over de samenwerking met de Franse collega's. Sinds een paar jaar wisselen zij regelmatig informatie uit met Duinkerken, zegt agent J. Schep die zich bezighoudt met de samenwerking. Ze bellen elkaar ten minste enkele keren per week, soms een paar keer per dag. Ze hebben zelfs een in het Frans opgesteld faxformulier klaarliggen. Meestal gaat het over gestolen Franse auto's die zijn aangetroffen. Volgens zijn collega J. Koetsenruijter geeft de opsporing van auto's een goed gevoel: “We kunnen de Franse eigenaar vaak verrassen met goed nieuws over zijn auto.”

Samenwerking is investering van tijd en goede wil, zegt Schep. “Het is een langzaam proces waarbij je moet openstaan voor elkaar en begripvol moet zijn. Je moet elkaar leren kennen, inzicht hebben in elkaars werkwijze en hiërarchie en respect tonen voor de wetgeving in het land van je collega.” Zijn korps is samen met dat van Duinkerken op het goede pad, vindt hij. Vorig jaar gingen zes agenten uit Zundert-Rijsbergen op uitnodiging van Duinkerken naar Frankrijk voor een schietwedstrijd. “Daardoor verbetert het contact.” Om de goede intenties van Zundert-Rijsbergen te onderstrepen, haalt zijn collega de sticker met de tekst 'Samen Werkt 't' tevoorschijn. Die hadden ze in Duinkerken ook uitgedeeld. Een aantal mensen in hun korps spreekt een aardig woordje Frans waardoor de Fransen de Zundertse lijfspreuk konden begrijpen: 'Ensemble ça Marche'. De taal-barrière is dan in elk geval geslecht, zegt Koetsenruijter. “Want met een Fransman moet je Frans praten.”

Zundert? In Duinkerken duurt het even voordat er een belletje gaat rinkelen. “Oh ja, de schietwedstrijd, die was leuk.” Commissaris Gence glimlacht. Maar om van samenwerking te spreken, dat gaat wat ver, vindt hij. Hij zou wel graag meer samenwerking met Nederlandse korpsen willen.

Gence herkent zelf ook iets in de Nederlandse kritiek op de Franse ambtelijke organisatie. “Misschien is behalve de taal en de onbekendheid, ook de ingewikkelde hiërarchie van ons bestuur wel een belemmering.” Er zouden betere en snellere informatie-kanalen moeten zijn, vindt ook depolitiecommissaris van Tourcoing. Besluiten van de Franse politie lopen nu via een “duivelse cirkel” van ambtelijke lagen. De politie is verantwoording schuldig aan een administratieve en een justitiële autoriteit in de regio, in het departement en in Parijs. Initiatief tot samenwerking met het buitenland is onmogelijk zonder de toestemming uit Parijs, zegt Gence. De regels zouden eenvoudiger moeten, vindt hij. “We zouden niet op ieder rapport vier maanden moeten wachten.” Er is volgens hem maar eén manier om de samenwerking van de grond te krijgen: elkaar ontmoeten.

Naarmate Gence verder fantaseert over toenadering tot de Nederlanders, groeit de ergernis zichtbaar bij het hoofd van de Duinkerkse drugsbestrijding F. Gilles, die tegenover hem zit. Hij tikt met zijn voet steeds sneller tegen de grond. Van het roze dossier over de twee dealers dat de Rotterdamse politie “oninteressant” vond, draait hij een steeds kleiner rolletje. “De regels verbieden ons niet om elkaar te ontmoeten”, gaat zijn chef Gence verder, “te discussiëren en elkaar te leren kennen. Pas als je weet wie wie is, kun je samenwerken. We moeten een beetje durven. Ik kan best wat spelen met de regels, niet teveel natuurlijk, maar een beetje. We zouden een reisje kunnen organiseren. En als we kunnen aantonen dat de samenwerking vruchten afwerpt, wordt het misschien ook mogelijk de regels te veranderen. We zouden het toch kunnen proberen?” stelt hij voor. Gilles is niet onder de indruk. Voor hem zijn de vergeefse pogingen tot contact te talrijk geweest. “Het ontgaat mij volstrekt hoe ze daar werken”, bijt hij Gence toe. “Samenwerking moet van twee kanten komen. Waarom komen de Nederlanders niet naar ons toe?”

Kloof

De kloof tussen wat de Franse en de Nederlandse politie vanzelfsprekend vinden is groot. Wat voor de Fransen onacceptabel is, zien de Nederlanders als onontkoombaar. Zo kan een Nederlandse politieman nuchter uitleggen dat Franse heroïne-verslaafden altijd meer bij zich hebben dan de eigen gebruikershoeveelheid heroïne, om de kosten van de reis terug te verdienen: zo gaat dat nu eenmaal. Maar Franse agenten gruwelen bij die pragmatische benadering. Drugs zijn vies en verwerpelijk, punt uit. Nederlandse politiemensen willen behalve drugs vangen ook de goede vrede bewaren in de wijken, voor Franse politiemensen zijn dat gescheiden competenties. 'Monsieur le commissaire' in Tourcoing herinnert zich met afschuw zijn vakantie in Amsterdam drie jaar geleden. “Dealers verkochten heroïne pal achter de rug van een agent.” Maar de Nederlandse politiemensen zeggen dat ze tenminste door een wijk kunnen lopen zonder stenen naar hun hoofd te krijgen, zoals dat de Franse drugspolitie soms overkomt.

De maatschappelijke taakopvatting van de Nederlandse politie betekent niet dat de harddrugs niet worden bestreden, zegt Bakker. Integendeel, aan geen enkel andere doelstelling besteedt de Rotterdamse politie zoveel geld als aan de ontmanteling van criminele organisaties, zegt hij. Maar soms moet de politie een dealer nog even vrij laten rondlopen, om later een grotere vis te kunnen vangen.” Het tekort aan mankracht is ook een probleem. “Wij zwemmen niet in de mensen,” zegt Bakker. “Dus we kunnen niet alle drugspanden sluiten. De panden die de grootste overlast veroorzaken, hebben prioriteit.” De gehele drugshandel in Rotterdam uitvlakken, zou een bovenmenselijke inspanning vergen: dat onderschatten de Fransen, volgens Bakker. Zo adviseerden zij hem om in de Rotterdamse haven een detectiepoort in te richten die containers controleert op drugsladingen, zoals dit in de kleine Franse havenstad Le Havre is gedaan. “Daaraan zie je dat ze geen idee hebben wat het is om te werken in de grootste haven ter wereld, waar jaarlijks drie miljoen containers binnenkomen.”

Controle langs de A16, de beruchte 'drugsrunners-route' richting Frankrijk, is onderdeel van de 'operatie Victor'. Vorige week vrijdagnacht rukte de Rotterdamse politie samen met collega's uit Zundert-Rijsbergen en Breda uit voor controles langs de snelweg van Rotterdam langs Hazeldonk naar Lille. De 'drugsrunners' rijden op Franse auto's af en begeleiden belangstellenden naar de Rotterdamse wijken waar heroïne en cocaïne te koop zijn. De politie weet precies waarop ze moet letten om de bemiddelaars te herkennen: groepjes Noordafrikanen die 's avonds heen en weer rijden in BMW's en Volkswagens GTI's - auto's die harder kunnen dan de politiewagens. Meestal hebben de drugsrunners geen drugs op zak, dus daarvoor zijn ze niet te arresteren. Maar een verklaring van geïrriteerde Franse toeristen of zakenmensen over de (verboden) toenadering en gebaren van de drugsrunners, geldt als voldoende bewijs. De vangst: drie gebruikershoeveelheden softdrugs, één persoon met vier gram heroïne, één persoon met zeventig gram softdrugs.

De Noordfranse douane aan de Frans-Belgische grensovergang bij Halluin heeft van de verscherpte waakzaamheid in Nederland nog weinig gemerkt. Een man in een legerkleurig uniform staat er paraat met een machinegeweer. Vijf mannen in blauwe pakken knikken naar de auto's die mogen doorrijden. Volgens Jean-Luc Cappelaere, hoofd van de douane-divisie, wordt in de Noordfranse regio jaarlijks rond de 3500 kilo drugs gevangen. Tenminste tien procent daarvan bestaat uit harddrugs. Cappelaere lacht om de vraag of de Nederlandse politie hard optreedt tegen de handel in harddrugs. “Wij hebben het idee dat ze ingrijpen wanneer ze daar zin in hebben”, zegt hij. “We zien niet dat ze optreden. Het enige dat wij zien, is wat wij hier aan drugs vangen.”

Dagelijks worden bij zijn douanepost gemiddeld dertien auto's aangehouden die richting Frankrijk drugs vervoeren. “En ik weet niet hoeveel er doorkomt dat we niét zien.” En dan de Nederwiet! Cappelaere: “Met dat gewas wordt genetisch gemanipuleerd. Er zit ongeveer 27 procent THC ( de werkzame stof in cannabis die volgens sommige Franse wetenschappers zeer schadelijk is voor de gezondheid) in, dat is veel te hoog. In de Libanese cannabis zit maar vijf procent.” Frankrijk houdt zijn landgrenzen nog dicht zolang het gevecht tegen de drugshandel in Nederland niet effectiever is en de cannabisteelt in Nederland niet aan banden wordt gelegd, zegt Cappelaere. “Wij zijn voor Europa, maar niet tegen elke prijs. Frankrijk heeft zijn eigen waarden.”

In de drugsnota staat dat Nederland “de grensoverschrijdende effecten van het drugsbeleid zal bestrijden”. In antwoord op Kamervragen heeft de Nederlandse minister van justitie onlangs gezegd dat zowel de Nederlandse als de Franse regering tevreden zijn over de Frans-Nederlandse politie-samenwerking.

De Noordfranse commissarissen wachten de resultaten af van de 'operatie Victor' en hopen op aanscherping van het Nederlandse gedoogbeleid. Intussen vragen zij zich af waarom de Nederlandse politie nu pas in actie komt, pas nu de eigen burgers last hebben van de Franse drugstoeristen. Ziet Nederland niet dat de buurlanden onder de rook zitten van hun beleid? De maatschappelijke benadering van de drugsproblemen in Nederland is leuk en aardig, maar wat hebben zij eraan? De Duinkerkense politieman Gilles: “Voor de eigen burgers doet de Nederlandse politie alles, voor die van ons niets.”

Commissaris Bakker ziet het inderdaad niet als zijn taak om de drugsproblemen in Frankrijk op te lossen. “Wij hebben die Franse jongeren niet verslaafd gemaakt. Het zijn jonge mensen uit kansarme wijken die in de steek zijn gelaten. De Franse overheid laat aan ons ook niet zien dat ze zich inspant om die jongeren te helpen. Ik ben door de Nederlandse samenleving ingehuurd om het hier veilig te maken. We zijn met onze eigen problemen bezig - daar worden we voor betaald.”

Zullen de Franse en Nederlandse politie ooit samenwerken? “Er mòet een manier voor zijn te vinden”, zegt commissaris Gence in Duinkerken. “We willen wel, maar Nederland moet de eerste stap zetten”, zegt zijn collega in Tourcoing. “We juichen nog niet van enthousiasme”, zegt de Rotterdamse commissaris Bakker. “Maar het moet mogelijk zijn om elkaar tegemoet te komen.” Noord-Frankrijk wil pas zakendoen als de Nederlandse politie de harddrugs zichtbaar bestrijdt. Rotterdam heeft op zijn beurt geen zin in samenwerking als die uitsluitend wordt gebruikt door de Franse korpsen om de onderlinge competitie te winnen door het vangen van drugs. Bakker: “We zullen nooit samenwerken vanuit eenzelfde visie, maar we kunnen wel zoeken naar een gemeenschappelijk belang. Nederland wil van de overlast af, Frankrijk wil dat dealers worden opgesloten.”