Fosler verwacht economische groei in VS van 2,5 procent

DEN HAAG, 9 MAART. It's the economy, stupid!. Deze kreet vergezelde de overwinning van Bill Clinton bij de Amerikaanse presidentsverkiezingen in 1992, toen de zittende rivaal George Bush niet tijdig kon profiteren van een economische opleving die zich naderhand juist tijdens de verkiezingsrace bleek te hebben voltrokken.

Vier jaar later lijkt de toestand van de Amerikaanse economie nog belangrijker voor het presidentschap dan destijds. Clinton heeft het tij mee. Dat vindt Gail Fosler, de chief economist van de Amerikaanse Conference Board, een organisatie waarbij wereldwijd 2600 grote ondernemingen zijn aangesloten. De Conference Board verricht onder meer de meting van het consumenten- en producentenvertrouwen in de VS en verzorgt sinds kort ook de toonaangevende index of leading indicators. Fosler was deze week even in Nederland waar zij een lezing hield over 'De economie van de verkiezingspolitiek' in de VS.

Fosler deelt het toenemende pessimisme over de Amerikaanse economie in het lopende jaar niet. “Ik ga uit van een economische groei van 2,5 procent. De consumptieve bestedingen zijn solide, de voorraden van de industrie lopen weer terug. De index of leading indicators toont al sinds het voorjaar van 1995 een fors herstel aan de vraagzijde van de economie.” Gisteren steunde de publicatie van de spectaculaire banengroei in de VS in februari, die de grootste is sinds 1983, aan Foslers optimistische visie op de Amerikaanse economie.

Zij verwacht dat de dollar niet aan kracht zal winnen tegenover de Duitse mark en de yen, en tegenover de Japanse munt zelfs weer kan verzwakken, zodat de Amerikaanse export op het concurrerende niveau van nu kan blijven werken. Fosler gaat er bovendien van uit dat de verwachting op de financiële markten dat het stelsel van Amerikaanse banken, de Federal Reserve Board, de rente nog eens zal verlagen, foutief is omdat de economie geen rente-impuls meer nodig heeft. “Afgelopen dinsdag zagen we industriële produktie weer versnellen. De Amerikaanse industrie heeft op de economische vertraging van 1995 gereageerd door het kostenniveau opnieuw te verlagen, en staat er nu beter voor.” Maar juist die verlaging van de produktiekosten, die deel uitmaakt van een constante herstructurering van het bedrijfsleven, is voor een belangrijk deel verantwoordelijk voor de toenemende onzekerheid en ontevredenheid van Amerikaanse werknemers. “De inflatie is laag, de werkgelegenheid sterk, maar het persoonlijke inkomen van de gemiddelde Amerikaan vertoont pas sinds kort een stijging. En daar moet je het als president in je eerste termijn vooral van hebben.”

Fosler signaleert dat dalingen van het consumentenvertrouwen, een belangrijke factor voor de vraagzijde in de economie, gelijk opgaan met politieke kwesties die de levensstandaard van de consumenten aangaan, zoals belastingmaatregelen en, meer recentelijk, de Republikeinse voorstellen om de medische programma's Medicare en Medicaid aan te pakken. “Daarin ligt ook een risico voor de zittende president. Clinton heeft de goedkeuring van 57 procent van de bevolking. Dat cijfer is hoger dan toen hij gekozen werd. Desondanks ziet hij een hoog risico tegemoet, met een uiterst onzeker en gevoelig electoraat dat bovendien in meerderheid een Republikeinse voorkeur heeft.”

Clinton zal volgens Fosler dan ook niet alleen op de economische groei kunnen vertrouwen, maar toezeggingen moeten doen aan 'Republikeinse' issues zoals de verlaging van de belasting op vermogensaanwas en het wegwerken van het begrotingstekost, waarover het Witte Huis en het door de Republikeinen gedomineerde Congres al sinds de herfst van vorig jaar in conflict zijn. Zij verwacht binnen niet al te lange tijd overeenstemming op dit gebied.

Dat geldt ook voor het uniforme belastingtarief, waar kandidaat Steve Forbes zich in de huidige race voor het Republikeinse kandidaatschap heeft gemengd, en voor maatregelen tegen immigratie, vrijhandel en overige oorzaken die kandidaat Pat Buchanan aanwijst voor de inkomensonzekerheid van de Amerikaanse werknemer. Die economische kwesties zullen volgens Fosler doorsijpelen in de programma's tijdens de verkiezingsrace tussen Clinton en zijn Republikeinse uitdager, waarvan de kans steeds groter wordt dat dat de voorzitter van de Republikeinse meerderheid in de Senaat, Bob Dole, zal zijn. “Dole zal de belasting-issues van Forbes overnemen, terwijl Clinton zijn Republikeinse rivaal naar de extreme kant probeert te duwen door hem aan te vallen op de issues van Buchanan.”

Over de manier waarop ook het Democratische kamp nu het probleem van de inkomensonzekerheid aan de borst drukt, is Fosler kritisch. Zij heeft weinig goede woorden over voor het voorstel van de onderminister van arbeid Robert Reich om belastingvoordelen te verlenen aan bedrijven die werknemers minder snel ontslaan en zo breed opleiden dat zij na ontslag ook elders aan de slag kunnen. “De aankondiging van de 40.000 ontslagen door AT& T eind vorig jaar kwam hard aan. Maar beursgenoteerde ondernemingen zorgen samen slechts voor 15 miljoen banen. De rest komt van de kleine en middelgrote, niet genoteerde ondernemingen”. Reichs plan is volgens Fosler retoriek, er zit geen beleidsvoornemen achter. “De schokkende aankondigingen van massa-ontslagen vinden hun oorzaak in de Amerikaanse beursregels. Die verplichten genoteerde ondernemingen om nu al voorzieningen te nemen voor een afslanking die jaren kan duren. En dat betekent weer dat het aantal werknemers dat in die periode moet vertrekken in één keer wordt genoemd. Ik weet dat AT & T op dit moment juist mensen werft in de informatietechnologie.”