Eb op de Dam

Niet bekend

Ook aan de andere kant van de Dam heerst trouwens grote bedrijvigheid: het Paleis wordt schoongespoten. In het zomerseizoen viel daar de laatste jaren een eenvoudig economisch-politiek model dagelijks in werking te bezichtigen. Je had er toeristen en duiven. Op pleinen worden toeristen tot vrienden van de duiven, niet alleen op de Dam. Het San Marcoplein in Venetië is er beroemd om. De toeristen willen de duiven voeren, maar niet allemaal hebben ze brood bij zich waar ze iets af kunnen kruimen. Dat werd gezien door een ondernemende werkloze. Hij kocht voor een gulden een zak voer, verdeelde de inhoud in honderd porties die hij voor een gulden per stuk verkocht. Dat deed hij twee maal per dag. Winst: 198 gulden, inkomen per maand bijna 6000 gulden. Andere werklozen zagen dat. In het begin waren er genoeg duiven en toeristen om tien duivenvoerverkopers aan zo'n inkomen te helpen. De duiven merkten dat er op de Dam met uitstekend voer werd gestrooid. Meer duiven. Daardoor werden meer duivenvoerverkopers aangelokt. Het aantal toeristen groeide niet evenredig mee; bleef op een bepaald niveau steken. Daardoor daalde de prijs van het duivenvoer. Het gevolg was dat hetzelfde aantal toeristen toch meer voer strooide waardoor er nog meer duiven kwamen. Als de vogels niet aten gingen ze op het paleis zitten en maakten dit in de loop van de zomer wit. Liever gezegd: niet helemaal wit. Het werd slordig ondergekalkt, schilderachtig bedropen. De gemeente merkte het, wilde het kwaad in de wortel aantasten. Na een paar seizoenen van studeren kwamen de bevoegden tot de conclusie dat niet de duiven maar de duivenvoerverkopers de diepste oorzaak van de misstand waren. Met zachte hand werd het legioen uitgedund en de rest gedoogd, zoals dat ook met wereldbekend succes bij de softdrugdealers is gedaan. Daarna kwam de winter, de toeristen en de duivenvoerverkopers verdwenen, de duiven bleven achter. De overpopulatie moest zich behelpen met een paar slappe, weggegooide patatslierten. Zienderogen ging de gezondheid van de vogels achteruit. Hun verenkleed bood geen weerstand meer tegen regen en sneeuw. De zwaksten zochten een plaatsje waar ze konden sterven, meestal in een van de hoeken bij het bordes van het Paleis. Anderen vonden nog wat warmte en een droog onderkomen op de vensterbank van mijn kantoortje. Weinig ken ik dat zo meelijwekkend is als de aanblik van een verkleumde, doorweekte duif, met de natte pieken van zijn veren en de opgejaagde blik in zijn kraalogen. In de laatste ogenblikken van tientallen gevederde zomervrienden komt deze kleine economisch-politieke machine ieder jaar tot stilstand.

Nu breekt het nieuwe seizoen aan. Bij het bewerken van het Paleis hebben de duiven de laatste maanden hulp gekregen van de spreeuwen. Bij honderden of misschien wel duizenden zijn ze avond aan avond neergestreken op de richels en vensterbanken van Jacob van Campen. De strakke lijnen van de grauwe eeuwenoude steen werd prachtig gefestonneerd met de rijen veren bolletjes. Daarbij hebben ze telkens weer hun zonsondergangsconcert gegeven. Als je soms eens geneigd was te denken dat het er somber uit zag in de wereld, was er nog altijd het spreeuwenkoor dat alleen van majeur weet. De laatste dagen zie ik ze niet meer; waarschijnlijk naar het platteland.

Nu wordt het Paleis dus schoongespoten: ook een schouwspel waarvan je niet genoeg kunt krijgen. Er is een hoogwerker verschenen. Op het platformpje staat iemand die met een hogedrukstraal alle richels, hoeken, gaten, holle kiezen van het bouwwerk schoon spiest. Wat is hier het woord dat past? Spuiten is veel te zwak. Het is een dunne straal als een rapier van water, het sist en het spettert, het slaat een wolk van de fijnste druppels uit de stenen, het is een lekker gezicht, en je krijgt zin om te vragen of je ook even mag.

Bovendien is het een werkje waarvan ik veronderstel dat degene die het doet 'er eer van heeft.' In brede grijzige guirlandes komt het duivenvoer van 1995 naar beneden en wordt daar door weer andere sproeiers naar de goten gejaagd. Op de Dam zelf heerst de rust van dood tij, tussen de eb van de winter en de murmelingen van het voorjaar. Klinkt dat wat al te poëtisch? Ik dacht aan de opkomende vloed zoals die zich - vergelijkenderwijs - tussen de basaltlokken laat horen. Het plein op de vroege ochtend ligt vlak en leeg als een winterstrand.

Straks komen ze weer. Ik zal u op de hoogte houden.