Dominee Hans Visser; Mijn cynisme mag niet zegevieren over mijn idealisme

Dominee Hans Visser (53) kreeg landelijke bekendheid als oprichter van Perron Nul, het open drugscentrum bij het centraal station van Rotterdam. Het werd voor de burgerij het symbool van de verloedering. Visser ging na de sluiting van Perron Nul in de Paulus Kerk door met zijn pioniersarbeid onder junks, daklozen en illegalen. Een interview over drugs, God, Kafka en het huwelijk.

Dominee Hans Visser: “Ik voel me zeer verantwoordelijk voor een drugsgebruiker. Ik wil hem behoeden voor onheil en kwaad. Daar zet ik hoog op in, en dat blijf ik doen. Het diepste motief is natuurlijk: jammer dat een mens verloren gaat.

“Ik verlies het gevecht vaak. Ik moet steeds denken aan het gruwelijke verhaal over een hond die ergens in Ierland in een haven in het water valt. Een man gaat er achteraan om hem te redden, maar hij dreigt zelf te verzuipen. Een agent schiet te hulp, en nòg een agent, en ze verdrinken ten slotte alledrie. Dat beeld heb ik altijd in mijn achterhoofd. Het doet zich ook in mijn werk voor dat je afdaalt en bijkans zelf verzuipt. Het is een interessant beeld, want je kunt je afvragen of het nuttig is om met z'n drieën te verdrinken als het ook met één had gekund. Maar dergelijke kansberekeningen maak ik niet. Ik ga te water.”

Een forse man met een open gezicht waarop regelmatig een brede lach verschijnt. Hij doet me vaag denken aan de acteur Ko van Dijk - die gloedvolle dictie, die lichte hang naar pathos.

Hij gaat me voor naar zijn bescheiden werkkamer, zo ongeveer de kleinste kamer van de Paulus Kerk. De riantere kamers heeft hij aan zijn medewerkers afgestaan. Hij is geen man met veel zitvlees.

“Ik heb iets gemeen met de zwervers hier. Er is altijd die onrust, het zoeken naar nieuwe ervaringen. Mensen vragen me wel eens: hoe hou je het zo lang in dat werk uit? Ik begrijp die vraag eigenlijk niet. Het is zó vanzelfsprekend voor me dat ik met deze mensen werk.”

Dezer dagen heeft hij het nogal druk met Franse journalisten. Ze willen weten wat hij van de laatste ontwikkelingen aan het drugsfront vindt. Moeizame gesprekken, zucht hij, ze begrijpen er eigenlijk geen barst van.

Visser geldt ook internationaal nog altijd als een autoriteit op drugsgebied. Met zijn Perron Nul, gelegen naast het Rotterdamse Centraal Station en op vijf minuten lopen van de Paulus Kerk, was hij een omstreden pionier, de eerste die in Europa een open drugsscene mogelijk maakte. Het experiment duurde van 1987 tot 1994 en het eindigde in een opzienbarend fiasco, waarover Visser in een binnenkort te verschijnen boek, Perron Nul - opkomst en ondergang, zijn licht laat schijnen.

Perron Nul is nu ruim een jaar dicht en geen Rotterdammer die daar rouwig om is.

“Dat is juist als we uitgaan van het Perron Nul, zoals het verworden was in de jaren '93 en '94. De verloedering was compleet en we hadden geen instrumenten om haar te bedwingen. In deze vorm moest het wel verdwijnen. Ik heb er alleen voor gewaarschuwd geen oude schoenen weg te gooien als je nog geen nieuwe hebt. Burgemeester Peper wilde Perron Nul zonder meer liquideren en dacht: na ons de zondvloed. Hetgeen ook geschied is. De geschiedenis dreigt zich nu weer te herhalen. Op de Paulus Kerk, waar we een pasjesregeling hebben voor verslaafden, neemt de laatste tijd de druk toe om meer pasjes af te geven. Het gaat de verkeerde kant op omdat wij de enige plaats blijven waar gebruikt mag worden.”

Wat wilde u bereiken met Perron Nul?

“Er was veel overlast in en om het station. We adviseerden de Spoorwegen een eigen ruimte aan die mensen te geven, maar ze stuurden ze liever naar ons door. Toen hebben we die groep daar maar zelf een plek gegeven voor een kopje koffie en een beetje hulpverlening. We hadden er in het begin niet meer dan honderd. Daar had het bij moeten blijven. Het was voor Rotterdammers bestemd, maar geleidelijk kwamen van heinde en verre verslaafden naar ons toe, vaak nota bene aangemoedigd door de politie. Toen Perron Nul werd opgeheven, kwamen er dagelijks duizend mensen.

“Aanvankelijk was het gebruik van drugs op Perron Nul verboden. Dat gevecht hebben we na twee jaar verloren. Er kwamen teveel gebruikers, van ontmoetingsplek werd het een drugsmarkt. Die marktfunctie vroeg om overheidsbeleid, maar dat bleef uit. De normalisering en acceptatie van het drugsgebruik in Nederland kwam onder - ook buitenlandse - druk te staan.

“We hadden er vergeefs op gehoopt dat de handel gereguleerd zou worden. Wij wilden juist greep krijgen op die markt van Perron Nul. Wie was er de baas? De overheid niet: die had geen regelgeving. De politie deed niets anders dan pappen en nathouden. Uiteindelijk waren het de mafiose krachten die de aanvoer en de verkoop regelden.”

Had u niet dezelfde problemen in de Paulus Kerk?

“Jazeker, ook in de Paulus Kerk werd de markt verziekt door handelaars van allerlei nationaliteiten. Marokkanen in dure pakken die zelf niet gebruikten maar hier de mensen kwamen uitbuiten, Surinamers, Nederlanders. Ik heb die lui er eind '93 uitgegooid en zelf drie huisdealers aangesteld. Dat functioneert nog steeds goed. Die drie komen hier elke dag en ik vergader regelmatig met ze. Met de politie heb ik goede afspraken. Er mag gehandeld worden, behalve als er politie in het gebouw is.

“Dit model had ik ook op Perron Nul gewild. Maar de ellende was dat ik daar niemand kon verwijderen. Perron Nul was een openbare weg-project, daar gold de vrijheid van de openbare ruimte. Twee jaar lang heb ik gezeurd om dat via de algemene politieverordening veranderd te krijgen, maar men wilde er niet aan. Een wrange zaak.”

Burgemeester Peper en hoofdcommissaris Hessing hebben nooit veel heil gezien in Perron Nul. Heeft u dat niet te laat in de gaten gekregen?

“Ik had bij de politie goede contacten op districtsniveau. De commissaris en de hoofdinspecteurs waren het met mij eens, en ik ging er vanuit dat zij wel de top zouden beïnvloeden. Maar de top kon los van het hele district zeggen: Perron Nul moet weg. Hessing deed altijd nogal progressief, dus ik dacht dat hij achter mij stond. Ik was verbijsterd toen hij opeens met het standpunt kwam dat Perron Nul dicht moest.”

Maar u ging in 1994 zelf ook roepen dat Perron Nul op deze manier niet kon voortbestaan. U heeft de autoriteiten het touw gegeven waarmee u gehangen kon worden.

“Dat hebben bestuursdeskundigen ook tegen me gezegd. Ik heb Peper welgeteld één keer gesproken. Daar heb ik nog drie weken voor moeten zeuren. Het gesprek vond plaats op 16 augustus 1994. Ik heb toen een sanering en een vernieuwde opzet van Perron Nul voorgesteld. Ik dacht aan een gesloten opvang met pasjes en bewaking in een klein gebouw tegen de spoordijk.”

Peper zei later: 'Dat Visser wilde sluiten was belangrijk, hij was mijn politieke draagvlak'.

“Ik dacht dat de gemeenteraad zijn politieke draagvlak was! Wat hij in het najaar van 1994 gedaan heeft met die sluiting, zou hij nog eens tegenover mij moeten rechtzetten. Ik ben niet haatdragend, ik heb wel begrip voor bestuurders die moeten jokken, maar het zou voor hem pleiten als hij zou zeggen: Visser, dat had anders gekund.”

Wat zijn uw eigen fouten geweest?

“Ik had in 1987 nooit genoegen moeten nemen met zo'n kleine locatie met enkele cabines. Ik had een ordentelijk gebouw moeten eisen van de Spoorwegen, waar zich alles in een besloten setting had kunnen afspelen.

“Spijt? Bepaalde ontwikkelingen waren niet te voorzien. Neem de komst van de illegale Marokkanen. Het is natuurlijke reuze stom geweest om de grenscontroles zodanig af te schaffen dat die lui vanuit België binnen konden lopen.

“Dan is er de opmars van de base-coke, de crack. Dat is op Perron Nul een plaag geworden. De heroïnescene in de Paulus Kerk van de eerste helft van de jaren tachtig - daar denk ik nog met vreugde aan terug. Het was wel heavy, maar veel makkelijker te beheersen. Mensen die heroïne gebruiken, zijn een aantal uren zeer relaxt. Maar van die base-coke wordt men opgefokt, agressief. Men wil blijven gebruiken, 24 uur lang. In de Paulus Kerk verbieden we het roken met zo'n base-pijpje. Chinezen - opsnuiven - mag, want dan gaat er toch het een en ander verloren, maar bij roken met zo'n pijpje gaat het spul recht het hoofd in. ”

In Rotterdam wordt nu de operatie-Victor, de politie-actie tegen de drugsoverlast, geprezen.

“Met die helicopters in de lucht? Allemaal flauwe kul. Het heeft tot wantoestanden geleid. Mensen werden dakloos gemaakt, geïntimideerd. Bij de politie ontdekte men al snel dat het levensgevaarlijk was om op die manier de drugsscene te ontwrichten. De prijzen stijgen en je krijgt een verharding van de criminaliteit. De operatie-Victor is alweer bijgesteld, het is nu een ander woord voor wat de politie altijd al had moeten doen: surveilleren op straat. Het werd tijd. Ik kreeg voor Perron Nul 's nachts nooit politie, er reden maar twee auto's in het hele centrum.”

Moeten de drugs worden vrijgegeven?

“Het verbod is een ramp, maar vrije verstrekking is dat ook. De overheid zal daar tussenin een smal pad moeten ontwerpen, een apart beleid voor iedere drug. Cannabis niet verbieden, maar wèl het aantal coffeeshops limiteren: zoveel inwoners, zoveel coffeeshops. We hebben daar in Nederland een puinhoop van gemaakt, daar hebben die Fransen gelijk in: in Rotterdam wisten ze niet eens hoeveel coffeeshops er waren! Heroïne moet je medicaliseren: alleen via de arts op recept verkrijgbaar. Cocaïne is een grensgeval: misschien medicaliseren, misschien - onder strenge condities - bij een slijterij verkrijgbaar laten zijn. Base-coke gewoon verbieden.

“De handel moeten we reguleren. Waar zitten de dealers, wie zijn het, betalen ze belasting, wordt hun stof gecontroleerd? Daar moet je greep op krijgen. De criminele dealers uitroeien, maar probeer het kaf van het koren te scheiden: er zijn genoeg dealers die geen echte criminelen zijn.”

Hij is er zich van bewust dat zijn idealisme in de jaren van Perron Nul is aangetast.

“Op het laatst liep ik er met een stuk hout rond. Ik heb mensen tegen de grond gegooid en een pak slaag gegeven. Ik werd grimmiger, vloekte en schold harder. Ik werd kwaad omdat de groep die ik verdedigde ook zelf veel verpestte. Ik vocht altijd op twee fronten. Wat dat betreft ben ik blij dat Perron Nul er niet meer is, want ik werd er zelf bepaald geen beter mens van.

“Ik verhardde ook tegenover het gezag. Als zo'n gemeentebestuur staat te liegen, groeit het anarchisme in je, je wilt niks meer met die lui te maken hebben. Ik kan heel cynisch zijn, maar ik probeer het in balans te houden met mijn idealisme. Mijn cynisme mag niet zegevieren over mijn idealisme.”

Waarom heeft u toen u in 1979 in de Paulus Kerk de leiding kreeg, gekozen voor de onderklasse?

“Ik vond als hervormd predikant dat Rotterdam behoefte had aan een kerk voor de subculturen van illegalen, drugsgebruikers, daklozen, gestoorden et cetera. Een kerk voor mensen die in de rotzooi zijn beland. Mijn kerk moest een plek van bezinning zijn, maar ook een herberg en een actiecentrum. Als je alleen koffie wilt, drugs, een schone spuit of een slaapplaats, dan kan dat bij ons. Zo huisvesten wij op dit moment dertig uitgeprocedeerde vluchtelingen. Maar ik heb ook andere zaken in de aanbieding: kerkdiensten - ook voor de gewone Rotterdamse burger -, pastorale gesprekken, bijbelstudie. Het leven is méér dan drugs.”

Wat is de oorsprong van uw sociale bewogenheid?

“De wortel zit in mijn jeugd. Mijn vader was erg sociaal geïnteresseerd. Hij was een lagere ambtenaar die zich omhoog heeft gevochten. Op zijn oude dag ging hij PvdA stemmen, wat voor iemand uit een geheid christelijk milieu niet gemakkelijk was. We woonden in de Haagse Spoorwijk, een arbeiderswijk. Ik voelde me op de middelbare school helemaal niet op mijn gemak tussen de kinderen uit de hogere klassen. Ik ging al op school Marx lezen. Dat was goed voor mijn identiteit. Iedereen was daar anti-revolutionair en christelijk-historisch, en ik was rood.

“Theologisch heeft mijn hoogleraar Hoekendijk in Utrecht grote invloed op mij gehad. Hij noemde de kerk een plek waar de wereld op de agenda hoorde te staan. Humaniteit was belangrijk voor hem.”

Heeft u door uw houding conflicten gekregen in de kerk?

“Al bij de start. Als aankomend dominee moest je een soort keuring in de betrouwbaarheid in de leer ondergaan. Ik sneuvelde al in de eerste ronde. Het kwam door mijn Hoekendijkiaanse verleden én door mijn voorliefde voor Teilhard de Chardin: ik ben altijd geïnteresseerd geweest in de verhouding tussen geloof en natuurwetenschappen. Dat vond die kerkcommissie maar niks. Ik heb toen op het punt gestaan de kerk te verlaten, maar de rector van het seminarie, een soort vaderfiguur voor me, haalde me over te blijven. Bij de tweede ronde werd ik toegelaten.

“Als dominee ben ik enkele malen in opspraak geraakt: een keer toen ik minister Luns aanviel en de andere keer toen ik het voor de Rote Armee Fraktion opnam.”

Heeft u ooit een geloofscrisis meegemaakt?

“Geloof en twijfel gaan altijd samen. Je denkt regelmatig: wat een rotzooi hier, had God het niet beter kunnen doen? Wat me altijd overeind hield, was dat dit soort gedachten ook in de bijbel voorkomt.

“Ik heb altijd verwantschap gevoeld met mensen die zeiden: de wereld beantwoordt niet aan de verwachtingen. Het klopt niet. Het absurde levensgevoel. Alle arbeid is sisyfusarbeid. Een zeer pessimistische gedachte waar ik erg ontvankelijk voor ben - het maakt onderdeel uit van mijn levensgevoel. Ik heb ook altijd veel gehouden van het toneelwerk van Samuel Beckett. Wachten op Godot. Dat leidt tot melancholie en matige depressies, maar ik zie altijd wel kans daar doorheen te komen. Dan houd ik er een preek over. In preken kan ik al mijn twijfels uiten. Het heeft voor mij een belangrijke therapeutische waarde.

“Op een bepaald moment ben ik alles van Kafka gaan lezen. Het heeft diepe indruk op mij gemaakt. Het leven heeft iets Kafkaiaans. Als mensen diep in hun onderbewustzijn graven, kom ik nooit God tegen, maar een volstrekte chaos, duisternis, driften. Toestanden! Waar is recht te zoeken op aarde, wie verschaft dat?

“Kort voordat K. aan het slot van Het proces wordt doodgestoken en in de steengroeve gegooid, ziet hij nog een raam opengaan van een huis. Iemand buigt zich naar buiten. Er is even hoop. Zou dat degene zijn die recht verschaft? Is dat het keerpunt? Laat God dan toch nog van zich horen? Maar het gebeurt niet, hij wordt vermoord.

“Dat spreekt me aan. Ik heb in mijn werkomgeving bizarre dingen meegemaakt. Ik heb tien jaar in de zending in Indonesië gewerkt. Veel armoede gezien, mensen die crepeerden aan de ondervoeding, eindeloze corruptie, vervolging van communisten. Later was er het geweld en enkele moorden op Perron Nul. Telkens dacht ik: een hoop mensen eindigen in de groeve, het raam gaat open, maar degene die zijn kop naar buiten steekt komt niet helpen.

“Maar ik heb nog niet geconcludeerd dat God ontoegankelijk is. Als het cruciaal wordt, laat God zich kennen als een mensen goed gezind wezen. Zie maar hoe hij zich in het leven van Jezus manifesteert. God is een vreemdeling, maar hij is ons goed gezind. God bemoeit zich met de absurde werkelijkheid waarin wij leven - hij wil die ànders hebben. Maar ik zie hem niet als een almachtige God, die aan het begin van de schepping staat en die het allemaal geregeld heeft zoals het nu is. Daar moeten we eens van af in de theologie. Ik schuif God niet al de ellende van deze wereld in de schoenen.

“Ik geloof in de strijd. In de bijbel staat dat God in den beginne hemel en aarde schiep, dat de aarde woest en ledig was en dat er duisternis was. Dat is dus de vreselijke werkelijkheid: die woeste, lelijke aarde. Maar dan staat er ook dat de Geest Gods over de wateren zweefde en dat God sprak: 'Er zij licht'. Hij zegt in feite: jongens, er is licht in dit zooitje, dus: aan de slag, we gaan er wat van maken. Er zij licht! Dat is mijn scheppingsgeloof. Die boodschap heeft op mij een troostende, inspirerende invloed. We moeten bressen van leefbaarheid slaan in de werkelijkheid.”

Het lijden een halt toeroepen.

“Ja. Verslaving is bijvoorbeeld een bizar gebeuren in de hersens. Het is een vorm van lijden, een heel groot verdriet voor mensen. Daar kunnen we niet in berusten.

“Ik deel het wereldbeeld van schrijvers als Kafka, maar ik leg me er niet bij neer. Ik heb een optimisme over de mens, ook al weet ik dat hij tot alle kwaad geneigd is. Als het doek dreigt te vallen, zijn er altijd weer mensen die zeggen: daar komt niets van in.

“Geloof hangt samen met het betrouwbaarheidsgehalte dat je aan God toekent. De joodse God presenteert zich als iemand die voor de mens kiest. Ik ga er vanuit dat Hij zal doen wat Hij zegt. Ik bid één keer per dag en dan zeg ik: ik geef mij over aan u God, Gij zijt betrouwbaar, en God, vergeet niet al die mensen die lijden onder oorlog en rampen, vergeet hen niet - amen. Dan ga ik slapen. Het is een soort overgave. Wie ben ik om te zeggen: ik stop ermee?”

Vorig jaar praatte Visser in een interview met Frénk van der Linden in Playboy openhartig over zijn privé-leven. Hij, gehuwd en vader van vier kinderen, bleek er buitenechtelijke relaties op na te houden. Hoe is er op dat interview gereageerd?

“In mijn familie- en vriendenkring is het niet zo goed begrepen. Men vindt dat je daar als dominee niet over praat. In mijn kerk heb ik er geen problemen mee gehad. Ik vind dat je niet opeens de nette dominee moet gaan uithangen als je door Playboy geïnterviewd wordt. Dan moet je ook over dit soort zaken durven praten. Over wat wij beleven in relaties met mensen aan verliefdheden en liefdes.

“De kerk gaat nog altijd ongelukkig om met seksualiteit. Ze heeft de neiging bepaalde normen te vereeuwigen. Ik denk dat we daar vanaf moeten. Een huwelijk wordt geacht in stand blijven, hoewel er van alles in een mensenleven kan gebeuren.”

U beschrijft in dat interview een soort crisis. Hoe is het afgelopen?

“Ik ben nog altijd getrouwd. Kijk, er verandert veel in een huwelijk. Zoals de weduwe van Mitterrand aardig beschreef: een huwelijk ondergaat allerlei fasen. Verliefdheden komen en gaan. Maar ik ben niet negatief over het huwelijk, ik heb ook nooit aangestuurd op een scheiding - mijn vrouw trouwens ook niet. Je moet in een soort consensus een leefbare relatie onderhouden waarin je wat voor elkaar betekent.

“Ik heb inderdaad serieus geprobeerd een buitenechtelijke relatie in te kaderen. Dat is mislukt. Je hebt niet alleen met jezelf te maken, maar ook met anderen. Ik kies nooit voor chaos. Chaos benauwt me. En als er èrgens chaos ontstaat, is het wel op dit gebied. Op een gegeven moment doen zich verliefdheden voor. Er ontstaat een nieuwe situatie waarin je iets probeert te creëren wat misschien kan.”

Hij lacht zijn brede lach. “Dan roep je ook: er zij licht! Maar er komt geen licht! Het wordt één grote puinhoop en je weet het niet meer. Ik ben daar niet uitgekomen.”