De onbereikbare koe; De ervaring met varkens en kippen leert dat het nogal riskant is om onzichtbaar te zijn; De koe verliest haar aaibaarheid

De koe is ingrijpend gemoderniseerd. Ze past uitstekend in de wereld van sportkanaal en magnetron, van airbags en megabites. Ze is hi-tech, geeft meer dan zestien duizend liter melk per jaar en oogt als een sportwagen. De koe lijkt klaar voor de volgende eeuw. Maar zijn wij toe aan de nieuwe koe?

VPRO: Wat wil de koe? Zondag 20.36 uur tot 23.41 Ned. 3

Ze heet Etazon Annecy. Onthou die naam, dit is de koe van de toekomst!

Etazon Annecy is als embryo overgevlogen uit Amerika. Geïmplanteerd bij een Nederlandse draagmoederkoe. Geboren in februari 1993. In april 1995 kreeg ze een kalf en daarna gaf ze in 298 dagen ruim 12.000 liter melk - met voortreffelijke vet- en eiwitpercentages.

En dat was nog maar na haar eerste kalf. Na het tweede of derde mag je 1,3 maal zoveel verwachten: 16.000 liter.

Maar een nieuw kalf zit er voor deze koe voorlopig niet in. Voorlopig worden na elke inseminatie haar embryo's verwijderd en op hun beurt geïmplanteerd bij draagmoederkoeien. Als ze dan, vermoedelijk op vierjarige leeftijd, de gewone melkveehouderij ingaat, heeft Etazon Annecy al zo'n veertig nakomelingen.

Haar embryo's en kalveren zijn overigens voor geen goud te koop. Dat is een kwestie van exclusiviteit. Dat is net zoiets als de ontwikkeling van een prototype voor een nieuwe cabriolet in de auto-industrie.

Het zoeken is naar de ideale zoon.

Het zoeken is naar een stier die aan de lopende band koeien-van-de-toekomst produceert.

Het zoeken is naar een nieuwe Sunny Boy.

Sunny Boy heeft inmiddels een half miljoen dochters op de wereld rondlopen, waarvan 300.000 alleen al in Nederland - één op de vijf Nederlandse melkkoeien komt van Sunny Boy. Allemaal meiden met een verhoogde melkgift, een pittig karakter en een witte band van kruin tot neus.

Vroeger zou zo'n bles nooit bij een Nederlandse koe zijn getolereerd.

Vroeger vonden boeren dat lelijk.

Tegenwoordig vinden ze een koe niet zo gauw lelijk. Ze mag wit zijn, ze mag alle mogelijke zwarte vlekken hebben, als ze maar véél melk geeft. Dat verklaart misschien, laten we die zijsprong toch maar even maken, waarom de meeste boeren geen probleem hadden met die grote gele oormerken. Je merkte niks van die dingen bij 't melken!

Maar zoiets hadden ze vroeger niet met onze koeien moeten proberen.

Hij heet Jacob Chardon, directeur van Zuid-Oost Genetics in Harfsen. Toen hierboven sprake was van prototype en lopende band, waren dat in feite zíjn woorden al.

Chardon, zelf een boerenzoon uit de buurt van Maassluis, heeft in Amerika gewerkt en als je dát hoort begrijp je opeens zijn openhartige manier van spreken, zijn geloof in competitie en zijn plezier in grote getallen. Hij kan iemand, die zich voor koeien interesseert, eindeloos bezighouden. Hij weet veel meer van koeien dan ik. Hij bewondert ze.

Zuid-Oost Genetics is het bedrijf van Sunny Boy, wiens zaad nu zo'n vijftig miljoen gulden heeft opgebracht, en hij is nog niet uitgewerkt, dat zal nog wel oplopen tot zeventig miljoen. En dat is het ook dubbel en dwars waard: de meeropbrengst van zijn dochters loopt in de honderden miljoenen.

Zuid-Oost Genetics is ook het bedrijf van Etazon Annecy.

Dat zit zo.

Vroeger trokken ze met een dekstier van boerderij naar boerderij. Dat bracht het gevaar van verspreiding van besmettelijke ziektes met zich mee.

Na de oorlog ging de overheid over tot het bevorderen van kunstmatige inseminatie.

In Harfsen begonnen ze met vier stieren en een laboratoriumpje. Rond 1960 gingen ze met Ruurlo, Vorden en Hummelo samen in KI De Graafschap. In 1974 KI Gelderland, in 1983 KI Oost, in 1993 Zuid-Oost Genetics, en eind vorig jaar werd besloten tot oprichting van Holland Genetics, alle Nederlandse KI-verenigingen onder één paraplu. Op het ogenblik worden de betrokken organisaties in elkaar geschoven.

Parallel aan deze organisatorische ontwikkeling heeft zich een ingrijpende modernisering van de koe voltrokken.

In de jaren zeventig was de Nederlandse koe hopeloos verouderd. Ze werd traditioneel zowel op melk als vlees gefokt en dat kwam haar op de wereldzuivelmarkt op een dramatische achterstand te staan.

In Amerika waren de zwartbonten rigoreus doorgefokt op melk. Dus moest er Amerikaans bloed worden betrokken. De eerste stiertjes kwamen totaal overstuur uit het vliegtuig. Runderen zijn gevoelige dieren. Ze weten heel goed dat ze niet voor vliegen geschapen zijn.

In 1983 verbood de EG de invoer van levend Amerikaans rundvee. Ook dit was een hygiënische maatregel, gericht tegen bluetongue, een schapenziekte die door rundvee kan worden overgebracht.

De voortschrijdende techniek bood uitkomst: embryo-transplantatie.

Samenwerkende Nederlandse KI-verenigingen brachten veelbelovende koeien, die in Amerika werden opgespoord en aangekocht, onder bij een bedrijf in Elisabethtown, Pennsylvania. Rond 1990 waren dat er 150, nu nog maar een stuk of twintig. In die tijd daalde de embryo-import van drie- à vierduizend tot drie- à vierhonderd per jaar.

Chardon: “Amerika hebben we ingehaald.”

Nu moeten we Frankrijk in de gaten houden.

Straks misschien Japan.

Sunny Boy is geboren op 26 mei 1985. Verleden jaar werd zijn tiende verjaardag gevierd met wimpels en gebak. Hij heeft de Nederlandse koe weer op het erepodium gehesen. En zijn opvolgers staan zich al te verdringen. Alleen uit zijn eigen bedrijf al noemt Chardon: Jabot, Labelle, Celsius, Cash en Lava, stuk voor stuk knapen van wereldklasse.

Cash is een zoon van Sunny Boy, in sommige opzichten zelfs beter dan zijn vader.

Lava komt van een moeder uit het Delta-programma.

Het punt is: bij embryo's importeer je net zoveel koe- als stierkalveren. Bij Zuid-Oost Genetics werd besloten die vrouwelijke lijnen in eigen huis te houden voor een apart onderzoeksprogramma, codenaam Delta.

Na de nodige selecties komen deze koeien samen op een boerderij in Laren, Gelderland, en wat daar op stal gaande is wordt door Chardon een wedstrijd genoemd, een wedstrijd in melkgift en embryo-produktie.

Etazon Annecy op kop.

En ze heeft een volle zuster, Etazon Abony, die haar dicht op de hielen zit.

We zijn daar in Laren, Gelderland, wezen kijken en Chardon prees bij Etazon Annecy vooral het gemak waarmee ze het doet, het gemak van de ware kampioene. Ze hoeft zich niet te forceren. Ze biedt voordelen zonder nadelen.

Ik heb haar dus gezien. Het merkwaardige is: ik heb er geen aantekeningen over gemaakt en ik kan me haar niet goed voor de geest halen. Maar het type kan ik wel beschrijven, het type kan ik zo onderhand wel dromen.

Je treft ze, als je in agrarische kringen verkeert, voortdurend aan in tijdschriften, op kalenders en in folders. In menige woonkeuken hangen ze ingelijst aan de muur.

Koeien zonder een spatje modder of mest.

Koeien die glanzen als orka's.

Koeien met een geschoren vacht en een uitgekamde flos aan de staart.

Koeien met een nadrukkelijke uier, naakt en roze, dik belegd met bleke aders, altijd barstensvol.

Pin-up koeien.

Ze worden onveranderlijk vanuit een laag camerastandpunt gefotografeerd, zodat ze nog groter en magerder lijken dan ze al zijn.

Groot en mager staat voor veel melk.

Groot en mager is mooi geworden.

En die foto's gaan vergezeld van gegevens die je het gevoel geven dat je naar cilinderinhoud of acceleratievermogen zit te kijken.

Koeien met namen die klinken als merken, die eerder aan hi-tech dan boerendochters doen denken.

Deze koeien worden kortom als doodnormale dingen aan de man gebracht, en de boeren worden als doodnormale mensen bewerkt.

Op stal zijn het dan toch weer levende wezens. Ik stond met Chardon te praten en achter zijn rug hoopten de koeien zich op. Ja, wat wil de koe? Op dat moment was volstrekt duidelijk wat ze wou: de koe wou erlangs.

Op stal hebben deze koeien iets van Madonna.

Met Madonna bedoel ik een Amerikaanse zangeres uit het begin van de jaren negentig. Ze trad op in haar ondergoed en hoe minder ze aan had, hoe ongenaakbaarder ze werd.

Met Madonna bedoel ik: hard en nerveus, en een enkele keer ontroerend.

De koe verliest haar aaibaarheid. Naarmate ze minder door mensenhanden wordt beroerd, wil ze er ook minder van weten. Bij een toenaderingspoging zet ze grote ogen op. Ze deinst terug en gaat opgewonden staan snuiven.

Natuurlijk, deze nieuwe wildheid is haar van harte gegund - maar zij is, paradoxaal genoeg, een gevolg van een steeds verder gemechaniseerde omgeving.

En naast haar aaibaarheid komt nu ook haar zichtbaarheid in het geding.

Dat begint al met het sanitaire cordon dat rond de koe wordt opgetrokken. Op het moderne bedrijf worden aan bezoekers speciale overalls en laarzen verstrekt. Anders kom je er niet meer in. Je vraagt je af of koeien die zo worden afgeschermd nog wel aan de risico's van de open lucht kunnen worden blootgesteld. En jawel, voorlopig kan dat nog, want er staan grote voordelen tegenover. Grazende koeien gaan in feite zelf hun eten halen en brengen ondertussen zelf hun mest weg. Maar als er bedrijven met vier-, vijfhonderd koeien ontstaan, wat de verwachting is, dan kan het toch echt niet meer. En met de melkrobot al helemaal niet.

De melkrobot is, onder ons gezegd en gezwegen, het stadium van kinderziektes nog niet te boven. Maar hij komt eraan. De koe kan zich dan laten melken wanneer het haar maar uitkomt, drie-, viermaal per dag.

Dat geeft verlichting aan haar kolossale uier.

Dat zal de koe helpen om nóg meer melk te geven.

Na introductie van de melkrobot zal het erg bewerkelijk worden om koeien nog naar buiten te doen.

Dan krijg je naast alle andere tweedelingen waarmee ons land al is opgezadeld ook nog eens die tussen zichtbare en onzichtbare koeien.

Zichtbare koeien in natuurgebieden en bij boeren die worden gesubsidieerd voor landschapsbehoud.

Onzichtbare koeien als onderdelen van een volledig vertechniseerd produktieproces.

De ervaring met varkens en kippen leert dat het voor dieren nogal riskant is om onzichtbaar te zijn.

Wat het formaat van koeien betreft - we hebben het dan over kruishoogte. Die wordt gemeten op de heup boven de uier. Want daar gaat het natuurlijk om: ruimte voor die geweldige zak met melk.

Het ideaal ligt op het ogenblik tussen 1.42 en 1.50 meter. Als je kijkt welke koeien het langst in bedrijf blijven, dan zijn het die van 1.47 meter. Zowel kleinere als grotere zijn eerder op. En Chardon denkt dat het daar bij blijft.

“Maar”, voegt hij er meteen aan toe, “tien jaar geleden had ik misschien voorspeld dat het bij 1.37 meter zou blijven.”

Worden de afmetingen van voorzieningen in de stal verruimd, dan zou de koe mogelijk toch nog wat kunnen groeien. Maar dáár moet meteen aan worden toegevoegd dat het wel efficiënt moet blijven. Hoe groter de koe, hoe meer energie ze nodig heeft voor haar eigen onderhoud, haar eigen apparaatskosten. En het voer is hier nu eenmaal niet zo goedkoop als in Amerika.

In Amerika zou een koe van 1.47 meter niet eens voor keuring in aanmerking komen. Daar is het minimum 1.60 meter. Nee, dat vindt hij niet mooi.

“Een beetje beangstigend zelfs”, zegt Chardon. “Zo grof, zo enorm ... zo vér verwijderd van het beeld waarmee je bent opgegroeid.”

Mij komt het goed uit dat hij dat zegt. Ik had het zelf kunnen zeggen. Maar dan bij 1.47 meter al.

Mijn koebeeld hangt nauw samen met de zwarte blaarkoppen van Cees en Gré Molenaar, 's morgens om een uur of halftien, als ik bij ze langs ga voor een kop koffie en zo.

Het melken is gedaan, de eerste maaltijd achter de rug. Sommige blijven nog wat staan, andere zijn al gaan liggen, elk dier naar zijn eigen gewoonte en op zijn vaste plaats. Je ondergaat bij deze aanblik iets buitengewoon vredigs. Het kan best zijn dat ook hier een wedstrijd gaande is, maar dan wel in een erg rustige tak van sport.

Aan deze koeien is weinig veranderd sinds Cees z'n vader het bedrijf zestig jaar geleden begon, en er zal nog maar weinig aan ze veranderen tot Cees ermee ophoudt, over zeven jaar ongeveer. Met schrik heb ik me laatst gerealiseerd dat er al koeien bij zijn die dat zullen meemaken - dat ze naar het slachthuis gaan wegens bedrijfsbeëindiging.

Ze zijn klein van stuk en compact gebouwd, royaal bevleesd. Ze hebben exact de aftekening die je bij blaarkoppen mag verwachten. Je kunt ze net zo lang aaien en krabben als je maar wilt, dat vinden ze lekker.

Hoeveel melk geven die van jou nou Cees?

Ik zou het je geeneens precies kunnen zeggen Koos.

Vijfduizend liter, schat ik zo.

Ze hebben horens. Ze eten hooi en stro, weinig krachtvoer. Ze worden gedekt door een levende stier en als het het ene jaar niet lukt, krijgen ze het volgende jaar nog een kans. Rijk zullen ze iemand niet maken, maar de Molenaars zijn er gelukkig mee.

Tegen deze achtergrond lijkt een zekere huiver voor nieuwe koeien me nogal vanzelfsprekend.

Het ligt aan mij.

De nieuwe koe is helemaal van deze tijd. Ze past perfect in de wereld van sportkanaal en magnetron, van airbags en megabites.

De koe is klaar voor de volgende eeuw.

Maar ik niet.

De koe is klaar voor de volgende eeuw, maar ik niet. Grammaticaal kan dat eigenlijk niet; je kunt voor de koe en ik nu eenmaal niet dezelfde werkwoordsvorm gebruiken. Maar daar staat een prettige bondigheid tegenover. Het leek me wel een mooie laatste zin.

Maar het leven bekommert zich niet om mooie laatste zinnen, het leven gaat door.

Ik sprak Marleen Felius. Zij schildert koeien, haar hele leven al. Ze weet veel meer van koeien dan ik.

Marleen was net terug uit Tsjaad en de nomadische veehouders daar hadden een intense belangstelling aan de dag gelegd voor haar monumentale boek met alle runderrassen van de wereld.

Onze koeien, hadden die mensen gezegd, geven vier liter melk per dag.

De onze, had Marleen gereageerd, wel veertig.

Daar hebben wij niets aan, begrepen die mensen meteen, daar kunnen wij nooit tegenop voeren.

Natuurlijk, dit was ook al aan de orde geweest bij Chardon, maar op een of andere manier klonk het in deze context pregnanter. Dat je er bij een koe, waar je een heleboel uit wilt halen, ook een heleboel in moet stoppen. En een stap verder: dat je er dan niet alleen een heleboel melk uithaalt, maar ook een heleboel mest.

Dan praat je over de verhouding tussen voor- en achterkant van de koe. Dan kom je op het terrein van Jaap van Bruchem in Wageningen.

Ook Van Bruchem is zo'n boerenzoon die een plekje heeft gevonden in de bovenbouw. Hij doceert een nieuwe richting aan de Landbouwuniversiteit: systeembenadering dierlijke produktie.

Koe, gras en boerderij worden naar zijn mening te veel als afzonderlijke eenheden beschouwd. Het gaat juist om verband en wisselwerking. Hij refereert aan chemische processen en goochelt met reeksen getallen op zijn computerscherm, en al gauw krijg ik het gevoel dat eigenlijk iederéén veel meer van koeien weet dan ik.

“Als”, zegt hij, “in de melkveehouderij het nuttig effect van stikstofverbruik in twintig jaar is gedaald van vijfendertig tot minder dan twintig procent, dan ligt dat niet aan de koe. De koe is een fantastisch beest, de koe is goed genoeg. Nee, wij moeten leren om naar onszelf te kijken. We hebben natuurlijk enorm veel gepresteerd en we zijn natuurlijk verschrikkelijk capabel, maar we zijn nu eenmaal niet pienterder dan miljoenen jaren van evolutie.”

De evolutie heeft de koe afgeleverd als een dier dat vezelrijk materiaal van lage kwaliteit (ruwvoer) verandert in hoogwaardig voedsel (melk). Om méér melk te krijgen zijn we haar krachtvoer en buitengewoon eiwitrijk gras gaan geven en ja, dan verandert ze alleen nog maar het ene hoogwaardige voedsel in het andere en dát doet de koe helemaal niet zo efficiënt.

Van het eiwit dat door de koe wordt opgenomen krijg je twintig procent terug in de melk, twintig procent in de faecaliën en zestig procent in de urine. Wat begint met een overmaat aan eiwit, eindigt met de uitstoot van ammoniak en de neerslag van zure regen.

Nu zitten we tot over onze oren in het milieu. Het fosfaatprobleem wordt voor een derde, het stikstofprobleem voor ruim de helft aan de melkveehouderij toegerekend. De overheid heeft nieuwe normen gesteld en daar valt volgens Van Bruchem weinig tegenin te brengen.

Er zitten mogelijkheden in nieuw gras - rassen met een gunstiger energie-eiwitverhouding. Later maaien zou ook al helpen (en een zegen zijn voor weidevogels).

Er zitten mogelijkheden in nieuwe beweidingsmethoden - het siësta-systeem. Koeien zes uur naar buiten, dan twee uur op stal. Dan kun je het meeste van de urine binnen opvangen. Als je ze daarbij maïs-snijsel voert met een laag eiwitgehalte, gaan ze met een licht eiwit-tekort naar buiten voor de volgende zes uur, wat een betere verwerking van vers gras zou opleveren.

Al met al acht Van Bruchem het mogelijk om zonder milieuproblemen 15.000 liter melk per hectare weiland te winnen. Maar waarschijnlijk niet van één koe. Misschien moet je eerder aan twee van 7.500 denken dan aan die ene van 15.000. Wat bovendien voor zowel de betrokken dieren als boeren een hoop minder stress zou betekenen.

Voorzichtig wordt in dit gesprek gezinspeeld op rehabilitatie van de dubbeldoel-koe: melk én vlees. Want ook bij die grote magere Amerikanen gaat driekwart van de kalveren de mesterij in, terwijl ze daar echt niet geschikt voor zijn.

En al even voorzichtig wordt het begrip 'gemengd bedrijf' weer in de mond genomen: het aloude samengaan van veeteelt en akkerbouw binnen een en dezelfde onderneming.

Finesses kunnen me zijn ontgaan, ik ben nu eenmaal geen wetenschapsjournalist, maar één ding is duidelijk: als je Jacob Chardon en Jaap van Bruchem naast elkaar zet, beiden geflankeerd door een favoriete koe, krijg je een gevoel van grote controverse, een race die nog lang niet gelopen is.

De koe is dan helemaal nog niet klaar voor de volgende eeuw.

Maar ach, wie wel?