De knagende neoworm

IRVING KRISTOL: Neoconservatism; The Autobiography of an Idea. Selected Essays 1949-1995

493 blz., Free Press 1995, ƒ 50,50

De neoconservatief is een illusie armer. Hij is een 'links-liberaal die op straat is beroofd'. Als ideologische zwervers kunnen de neoconservatieven alle registers van argumenten opentrekken, van de linkse fluittonen tot de rechts populistische contrabassen. De essays in Neoconservatism getuigen van een brede blik. Wat een geboren conservatief vanzelfsprekend vindt, wordt door een neoconservatief zorgvuldig beargumenteerd en uitgelegd. Ideologieën worden opnieuw uitgevonden. “Ik ben neo-Marxist, neo-Trotzkist, neo-socialist en uiteindelijk neo-conservatief geworden”, schrijft Kristol. Altijd knaagde de 'neoworm'.

Neoconservatism, met stukken die tussen 1949 en 1995 zijn geschreven, tekent de geestelijke ontwikkeling van Irving Kristol. Hij is niet de grootste stilist onder de neoconservatieven, maar zijn langdurige worstelingen met de morele leemte van de vrije markt en het seculiere humanisme zijn na het einde van de geschiedenis van de ideologische strijd weer nieuw.

Zonen & dochters

De bakermat van de neoconservatieve beweging ligt bij de zonen en dochters van Oosteuropese, joodse immigranten in New York. “Voor geen andere Amerikaanse etnische groep is de immigranten-ervaring, inclusief de ervaring van 'amerikanisering' zo levend gebleven als voor de joden”, aldus Kristol. Dat komt niet alleen doordat er zoveel over die amerikanisering geschreven is door joodse schrijvers en intellectuelen maar ook doordat de Amerikaanse cultuur voornamelijk christelijk is.

In Israel voelen joodse immigranten zich meteen thuis, maar in Amerika “gaat de immigratie-ervaring door”, volgens Kristol omdat joden niet kunnen besluiten of Amerika 'thuis' is. Daar komt nog bij dat hij als religieuze jood graag een herstel van de christelijke moraal in Amerika wenst, omdat het seculiere humanisme, waar zijn joodse generatiegenoten van de burgerrechtenbeweging voor hebben gestreden, failliet zou zijn. Hij voorspelt een terugkeer van de orthodoxie. Tegelijkertijd vraagt hij zich af of een religieuze herleving antisemitisme zou bevorderen. Waarschijnlijk niet, is zijn voorzichtige conclusie. Dat is opmerkelijk voor iemand die van de rabbi heeft leren spugen als hij langs een kerk kwam. Zo leeft hij in voortdurend ongemak, vertaald in het plaatsen van 'neo' voor elk 'isme' dat hij heeft aangehangen.

Kristol en zijn vrienden vormden de eerste generatie intellectuelen in hun familie, groot gebracht aan het 'rode' City College. Velen bereikten - ondanks de toenmalige, informele quota tegen joden - Ivy League universiteiten. Kristol raakte bevriend met de latere sociologen Nathan Glazer en Daniel Bell, maakte kennis met onder anderen Hannah Arendt en Mary McCarthy. Hij redigeerde het (joodse) maandblad Commentary, dat later een zwaai naar rechts heeft gemaakt. In de jaren vijftig werd hij met de schrijver Stephen Spender in Londen redacteur van het maandblad Encounter, dat naar zijn zeggen buiten zijn medeweten door de CIA werd gefinancierd. Als principieel anti-communist betreurt hij dat achteraf niet echt. De meeste neoconservatieven hebben in de jaren zestig op Kennedy en in de jaren tachtig op Reagan gestemd. Eind jaren zeventig en begin jaren tachtig hebben joodse en niet-joodse neo-conservatieven het meeste invloed uitgeoefend op de Amerikaanse politiek. Nu is het gedachtengoed over de morele crisis in Amerika zo algemeen geworden dat er nauwelijks meer sprake is van een beweging. Kristol is verhuisd van New York naar Washington en maakt deel uit van het politieke establishment.

Kristol is trots op zijn status als gezeten burger, maar verontrust over de holheid van het burgerlijke liberalisme. De liberale econoom Adam Smith hoefde zich niet te bekommeren om de maatschappelijke gevolgen van de vrije markt. Hij kon uitgaan van maatschappelijke coherentie “door georganiseerde religie, traditionele morele waarden en het gezin”.

De postmoderne samenleving kent minder saamhorigheid dan het Schotland van Adam Smith. De zucht naar materiële compensatie is “zo oneindig als het verloren uitzicht op de oneindigheid”. Zolang de burgers naar de kerk gingen, bloeide de vrije markt. “Voor vele generaties heeft het kapitalisme op het opeengestapelde morele en geestelijke kapitaal van het verleden geteerd”, aldus Kristol.

In verscheidene essays analyseert hij de groei van het verzet tegen de burgerlijke samenleving, van de 19de eeuw af, bij kunstenaars, bij jongeren en vooral bij intellectuelen. De deelnemers aan de Parijse commune-opstand, de romantici, de Franse utopisten zoals Fourier en Saint Simon, de artistieke bohémiens en hun bewonderaars en de hippies zochten de missie en vervulling die aan het liberaal-kapitalisme ontbreken.

De spirituele leegte wordt opgevuld door religieuze surrogaten. Kristol ziet moderne kunst eerder als een “quasi-religieuze opstand tegen burgerlijke nuchterheid” dan als esthetische vernieuwing. Er zijn parallellen tussen kunstvormen en hun aanhangers en vroegere joodse en christelijke sekten. De kunstenaar is de 'uitverkorene' die esoterische en verlossende kennis uitdraagt en dan zijn er de “critici, wier taak het is om de exclusieve kennis over te dragen aan potentiële aanhangers van de beweging”.

Het inmiddels bankroet geraakte socialisme was volgens Kristol een 'seculiere religie', een poging om een politieke gemeenschap in het leven te roepen, “die aantrekkelijk en sterk genoeg is om de wetenschap aan te kunnen dat het leven van ieder individu met de dood eindigt”.

Zijn angst voor een moreel vacuüm gaat gepaard met een grenzeloos optimisme over de economische prestaties van de vrije markt. Hij laat zich verleiden tot de in Amerika modieuze redenering dat uitkeringen de armen niets dan last bezorgen. Trek het geld in en de arme wordt een ondernemer. Kristol negeert belangrijke sociale en culturele verschillen tussen landen en groepen mensen en neemt voetstoots aan dat de vrije markt iedereen, overal rijk maakt. En ongelukkig.

Het is typisch voor deze geslaagde zoon van arme immigranten: na het overvloedige banket en het applaus bij de Kamer van Koophandel rest de hoofdpijn. Het door Kristol beschreven onbehagen verklaart de sociale nijverheid van de Amerikaan, de honger naar gelijkgezind gezelschap, liefst in een kerk en de excessen in geweld, sex, drugs, rijkdom die veel verder gaan dan elders. Net als andere Amerikanen lijdt Kristol aan heimwee naar een niet bestaand verleden. Amerika is in sociaal opzicht altijd een rommelig land geweest, met of zonder bijbel. Maar de rest van de wereld veramerikaanst snel.