Conferenties

Onlangs stond er in deze krant het verslag van een internationale milieuconferentie, die dreigde te ontaarden in een twist om een woord.

Het ging erom of het warmer worden van onze planeet merkbaar dan wel waarneembaar zou zijn. Er zijn in onze taal, maar vooral ook in het Engels, talloze dicht bij elkaar liggende woorden die net een iets sterkere graad aanduiden. In de internationale strijd om het klimaat en het milieu, waar men voetje voor voetje vooruit tracht te komen, maakt een klein verschil in een tekst veel uit. Bij een volgende bijeenkomst wordt het gekozen woord misschien zichtbaar, voelbaar of duidelijk en dan valt er aan bepaalde maatregelen niet te ontkomen.

Meer nog dan de nationale is internationale politiek vaak een strijd om woorden. Goede politici zijn niet zelden woordkunstenaars, die bij het zoeken naar de beste terminologie een groot gevoel tonen voor nuances. Om dat wat verder uit te werken, heeft het zin te kijken naar de werkwijze bij veel internationale conferenties. Ik geef als voorbeeld de jaarlijkse conferentie in Parijs van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO). Dat is een club van ongeveer twintig rijke landen, die vaak als voorportaal dient voor de bijeenkomst van de 'de grote zeven'. Een paar jaar geleden mocht ik zo'n vergadering van de OESO met mijn toenmalige collega Kok voorzitten. We hadden ieder een dag, wat een hele zit is want je moet de 'statements' van twintig ministers aanhoren. Op mijn dag had ik me daarvoor al in een enigszins passieve houding opgesteld tot ik plotseling een exemplaar van het ontwerp voor het slotcommuniqué in handen kreeg gedrukt.

Er waren, dat wist ik, nogal wat verschillen van opvatting. Maar het communiqué met een tekst van zeker dertig bladzijden bevatte meer dan honderd grote en kleine meningsverschillen, die allemaal tussen brackets (haken) waren geplaatst. Daarvoor dient een verklaring. Als delegaties in het vooroverleg van een conferentie het over bepaalde onderwerpen niet eens kunnen worden zet men een aantal alternatieve tektsen tussen haken. Later moeten de ministers daarover beslissen. Ook de Europese Unie in Brussel doet het ongeveer zo, maar daar werkt men doorgaans met een hoofdtekst met allerlei alternatieven in voetnoten.

Goed dan, ik zat met al die brackets, waarvan sommige totaal tegenstrijdige opinies lieten zien. Duitsland wilde bijvoorbeeld een hogere rente en de VS een lagere. Het zweet brak mij uit want ik wist ook dat het de plicht was van de voorzitter om tijdens de lunch de voorbehouden op te heffen en tot een gave tekst te komen. Die lunch was een copieus geheel en het was al een hele toer om de babbelende ministers bij de les te krijgen.

De discussie, of beter de onderhandeling, vond plaats in een fraaie niet te grote zaal, die in verbinding stond met een reeks 'salles d'écoutes'. In die luisterzalen zaten batterijen ambtenaren van alle landen met een koptelefoon op de besprekingen ongezien aan te horen. Mijn taak was het debat soepel op de twistpunten te brengen. Dat lukte en wat men zei klonk gelukkig vaak verzoenlijker dan sommige uitgeschreven teksten. Gespitst luisterden de ambtenaren mee, geen nuance ontging hen, vooral niet in de woorden van hun baas.

Bij de koffie kreeg ik grote bewondering voor die ambtenaren want men reikte mij een tekst aan met nog maar vijf alinea's met brackets. De eerste onderhandelingsronde was voorbij. De aanwezigen hadden in diplomatieke taal gegeven en genomen en het was feilloos door de delegaties opgevangen.

Voor de oplossing van overblijvende meningsverschillen bestaan er verschillende beproefde methoden. Een voor de hand liggende manier is enige kemphanen apart te nemen en zo te zoeken naar een compromis. Maar dat loopt erg in de gaten. Een veel mooiere werkwijze is om met een soepel lopende tekst, omkleed met wat verbaal geweld, een brug te slaan tussen tegenstrijdige opinies. Ik noem het voor het gemak de Franse stijl.

Veel ministers en diplomaten zijn daarin meesters; Lubbers was zelfs een grootmeester op dit terrein. Het risico van deze methode is echter dat je soms op een wat vage tekst uitkomt. Maar de uitkomst van veel conferenties laat zien dat deze uitweg op gevoelige punten vaak onontkoombaar is. Natuurlijk kan je ook wat weg smokkelen, maar dat is een zwaktebod. Het fraaist is daarom de Engelse stijl. Het Engels heeft het grote voordeel dat het twee taalstammen heeft en daardoor beschikt over een groot aantal synoniemen of bijna synoniemen. Om terug te vallen op mijn eerste voorbeeld, ik dacht dat bij de klimaatdiscussie over de aardwarmte het woord 'discernible' naar voren is gekomen. Dat ligt net iets anders dan 'noticeable'.

Als zo'n woord valt in een gespannen atmosfeer, kunnen er drie dingen gebeuren. Of men begrijpt het onmiddellijk en de hobbel is genomen. Vaker echter is het woord niet erg bekend of twijfelt men over het precieze verschil met andere woorden. Dat geldt bijvoorbeeld voor discernible tegenover perceptible, distinguishable, of perceivable. Op zo'n moment raken de tolken in verlegenheid en gaan de Italianen aan de Denen uitleggen hoe zij het in hun taal zeggen. Dit soort Babylonische spraakverwarringen heb ik meermalen meegemaakt bij ministerraadvergaderingen van de Europese Unie. Het verprutst de atmosfeer. Beter is daarom zo'n woord precies te checken bij een Engelsman en het dan te gebruiken in een voorzitterstekst, waarvan direct de goede vertalingen worden uitgereikt. Voor mijn OESO-conferentie was dat gelukkig niet nodig. Van de vijf overgebleven haken verdwenen er vier na enig gepraat en voor de vijfde volstond de Franse stijl.