Borrelpraat over universiteiten moet stoppen

Topondernemers hebben zich recentelijk erg kritisch uitgelaten over de Nederlandse universiteiten. Maar veel van hun kritiek raakt kant noch wal, aldus M.J. Cohen. De kloof tussen de kritiek en de dagelijkse praktijk is verbazingwekkend groot.

Het bedrijfsleven heeft de afgelopen tijd de nodige kritiek geleverd op de universiteiten. Daags voordat hij de ietwat tegenvallende jaarcijfers van zijn bedrijf bekend maakte haalde de bestuursvoorzitter van Unilever, Tabaksblatt, in Leiden fors uit: universiteiten in Nederland zijn wel goed, maar niet goed genoeg; zij leiden niet die studenten op die Unilever graag wil hebben; van de instroom van nieuwe academici bij Unilever komt maar een zeer, zeer beperkt aantal uit Leiden.

Voorzitter Kalff van de raad van bestuur van de ABN Amro, deed het enkele dagen later nog even dunnetjes over. Nederlandse universiteiten zijn wel goed, maar geen top. Neem nou de top van de Amerikaanse universiteiten, daar kunnen de Nederlandse zich toch niet mee meten, was zijn betoog.

En ook verder functioneren de universiteiten niet naar de zin van het bedrijfsleven. Het blad Forum van de werkgeversorganisatie VNO/NCW wijdt zijn hoofdartikel van het nummer van 22 februari aan de vraag wat onderzoekers doen met het belastinggeld dat zij krijgen. De teneur van dat artikel is duidelijk; de verkeerde dingen, want niet de dingen waar het bedrijfsleven op zit te wachten.

Het universitaire onderzoek moet, in de termen van de jaren negentig, marktgerichter worden; men moet onderzoek doen waar het bedrijfsleven op zit te wachten.

En ten slotte put ik uit gesprekken met vertegenwoordigers van het bedrijfsleven, waarin vaak wordt gezegd dat onze opleidingen te oppervlakkig zijn, te breed van samenstelling. Universitaire opleidingen moeten een discipline betreffen, waarin diep wordt doorgedrongen. Zo leid je mensen op die iets kunnen. Helaas voegen anderen uit datzelfde bedrijfsleven daar dan enthousiast aan toe, dat aldus opgeleide mensen inderdaad voortreffelijk zijn, mits ze ook enige kennis van bedrijfseconomische onderwerpen hebben. Dat laatste maakt het eerste onmogelijk, want het is in de vier jaar die een studie mag duren, òf breed, òf diep, maar niet allebei.

Ik zeg het nu maar eens rechtuit, hier is sprake van borrelpraat. Natuurlijk betrekt Unilever weinig mensen uit Leiden, want Leiden is geen technische universiteit en heeft geen economische faculteit, terwijl hetzelfde bedrijfsleven dat zo hoog opgeeft van mensen die een echte disciplinaire opleiding achter de kiezen hebben, geen filosofen, classici of historici in dienst neemt - zoals in Engeland heel gebruikelijk is.

Natuurlijk heeft Nederland geen universiteit die vergelijkbaar is met de beste vijf universiteiten van de Verenigde Staten. Hoe zat dat ook al weer? Waren de Verenigde Staten niet ietsje groter dan Nederland? Hadden ze daar niet ietsje meer universiteiten? Is het wetenschappelijk onderwijs daar niet ietsje anders georganiseerd dan in Nederland? Ik vrees dat het verwijt dat Kalff de Nederlandse universiteiten maakt, vergelijkbaar is met het verwijt dat ABN Amro - nog afgezien van het feit dat deze bank de afgelopen jaren wat terrein verloren heeft - niet behoort tot de top-tien van de banken in de wereld.

En ten slotte, hoe komt het dat de derde geldstroom van de Nederlandse universiteiten - dat is de geldstroom afkomstig van contractonderwijs en -onderzoek met overheid en bedrijfsleven - de afgelopen jaren met sprongen omhoog is gegaan? Komt dat omdat die Nederlandse universiteiten zo slecht zijn, en zo weinig marktgericht?

Wat betreft het verwijt dat Nederlandse universiteiten te weinig onderzoek doen dat nuttig is voor het Nederlandse bedrijfsleven, moet mij van het hart dat dat in hoge mate kortzichtig is en onvoldoende oog heeft voor doel en functie van de universiteit in onze samenleving.

Waarom is dat standpunt kortzichtig? De omvang van het totale onderzoek in Nederland is om en nabij de twee procent van het totaal aan onderzoek dat op de hele wereld wordt gedaan. Twee procent!, een druppel op een gloeiende plaat.Het is toch in hoge mate toeval wanneer de vraag van het Nederlandse bedrijfsleven, die trouwens vaak knap ongearticuleerd is, correspondeert met het aanbod van Nederlandse universiteiten.

Bovendien: het bedrijfsleven trekt zich er weinig van aan waar het iets kan halen. Globalisering heette dat, geloof ik. Universiteiten doen daar trouwens krachtig aan mee; internationaal contractonderzoek is schering en inslag. Kortom, laten wij deze kwestie niet zo verschrikkelijk eng-nationalistisch bekijken; laten wij het op zijn minst in Europees verband bezien.

En dan doel en functie van de universiteit. Doel en functie van universiteiten in ons land is niet om onderzoek te doen voor het bedrijfsleven. Doel is: het verrichten van goed onderzoek, het geven van goed onderwijs. Niet één van beide, maar beide, en wel in samenhang. En met nadruk op het verrichten van fundamenteel onderzoek, want dat gebeurt nergens anders. Het bedrijfsleven heeft daar niet onmiddellijk iets aan, maar zou op termijn droog komen te staan, wanneer het niet zou worden verricht.

Functie van de universiteit is: het opleiden van jonge mensen, die met die opleiding hun weg in onze kennisintensieve maatschappij kunnen vinden.

Betekent dat dan, dat universiteit en bedrijfsleven niets met elkaar te maken hebben? Nee natuurlijk, dat betekent het helemaal niet. Zo zit de wereld van vandaag ook niet in elkaar. Wie gaat praten met diegenen in het bedrijfsleven die verantwoordelijk zijn voor het onderzoek dat daar nodig is, die beluistert dat men over het algemeen helemaal niet ontevreden is over de samenwerking met de universiteiten. En wie personeelsfunctionarissen spreekt, weet dat zij het jonge talent heel wel weten te vinden, in binnen- en buitenland. Maar inderdaad, het verschil in verhalen tussen de top van het bedrijfsleven en diegenen die dagelijks, althans regelmatig, met universiteiten te maken hebben, is groot, verbazingwekkend groot.

Ten slotte, betekent dat dan dat universiteiten zich van al deze kritiek niets behoeven aan te trekken? Nee, natuurlijk moeten zij dat wèl doen. En dat dóen zij ook. Ook de universiteiten maken zich er zorgen over dat zovelen eerder kiezen voor alfa- en gamma-opleidingen, dan voor bèta- of technische opeldingen, hoewel zij constateren dat hier sprake is van een beweging die zich niet tot Nederland en zelfs niet tot Europa beperkt.

Ook de universiteiten hebben aangedrongen op een verzwaring van het voortgezet onderwijs en daar intensief en van harte aan meegewerkt. Ook de universiteiten realiseren zich dat voor toponderzoek zwaartepunten nodig zijn, en zij zijn de afgelopen jaren hard aan de gang geweest om die te realiseren.

Dat heeft geresulteerd in onderzoeksscholen, die algemeen als een verbetering worden beschouwd. Ook werken de universiteiten nauwer samen met de grote technologische instituten, zodat er een kennisinfrastructuur ontstaat waarin de deelnemers elkaar gemakkelijk kunnen vinden.

Kortom, er is alle reden op te houden met het naar buiten brengen van genoemde borrelpraat; laten wij liever aan het werk gaan, allemaal.