Bloed

I am in blood / Stepp'd in so far that, should I wade no more, / Returning were as tedious as go o'er.' Zo, bebloed als Macbeth, kwam ik binnen.

- Ik zie het al, jij hebt rozen gesnoeid.

- Zeker, en ik heb het advies opgevolgd van het Tweede Spook: 'Be bloody, bold and resolute.'

Het eerste vleugje voorjaar, de eerste dag waarop je naar buiten kunt zonder voor de poolstreken ontworpen kledij, zonder in te sneeuwen, zonder uit te glijden op het bevroren grint - naar buiten stapt de tuinier met een wilde glans in de ogen: tijd om de rozen te snoeien!

Ook het moment om, niet zonder vrees en beven, te kijken wat de winter is doorgekomen. In de tuinrubriek van de Irish Times stond de aandoenlijke observatie dat mensen die pas in de laatste tien jaar zijn gaan tuinieren nooit een dergelijke winter hebben meegemaakt; die exotische half-winterharde planten die de bevoorrechte Ierse tuinier als zijn geboorterecht beschouwde zijn nu allemaal ad patres. Bij ons schijnt de winter in het noorden het strengst te zijn geweest; hier in Zuid-Holland, hoewel het eindeloos duurde en bitter koud aanvoelde, was het geloof ik niet zo extreem.

Overigens is het in sommige gevallen nog te vroeg om vast te stellen welk lot een plant getroffen heeft. Vaak moet ik denken aan de vijgenboom, waar een lezer mij over schreef, die na een winter met strenge vorst pas in juli weer tekenen van leven begon te geven; stel je voor dat je die voortijdig had afgedankt. Omgekeerd is duidelijk dat je in sommige gevallen juist vlug de knoop moet doorhakken: als je vermoedt dat de viburnum waar je een hekel aan hebt ter ziele is, vervang hem dan onmiddellijk.

Het speenkruid in elk geval heeft het overleefd. Dit ongewas en de rozen schijnen onder de gewone, niet in de winter bloeiende planten, degenen te zijn die het vroegst beginnen te groeien. Dit houdt niet op mij te verbazen. Vooral de rozen, waarin het contrast tussen beeld en werkelijkheid zo groot is: tere moeilijke schepseltjes lijken het, die je moet vertroetelen en in de watten leggen, waar je voor moet bidden en op je tenen lopen. Niets van waar! Rozen zijn de meest robuuste planten in de tuin, taai als ouwe schoenen, en om dat te bewijzen beginnen ze al te groeien wanneer het voor iedereen nog veel te koud en guur is om naar buiten te gaan.

Om een of andere reden moet ik hierbij telkens denken aan de woedende philippica tegen konijnen door Germaine Greer ('News from Stump Cross', in The Virago Book of Woman Gardeners, Virago 1995). “Wat hebben konijnen ooit voor kwaad gedaan?” vraagt zij. “Wel, dat zal ik vertellen. Konijnen zijn rotbeesten. Ellendige rotbeesten. Ze maken geen andere beesten dood. Ze maken planten dood (...) Meer dan zevenhonderd bomen heb ik geplant sinds ik in dit huis woon en ze hebben er vierhonderd van vernietigd, sommige nog toen ze al twintig centimeter in omvang waren (...) Doe iets voor onze strijdende boompopulatie, maak vandaag nog een konijn dood.”

Dat is ook een soort snoeien, misschien is dat de overeenkomst. Zo moordlustig hoef je met rozen niet om te gaan, maar de vraag hoe ze te behandelen is ook verre van eenvoudig. Neem de Alba roos 'Königin von Danemarck': ik sta voor haar, snoeischaar geheven, en de woorden van Graham Stuart Thomas klinken mij in de oren: “Van alle oude rozen reageren deze Alba variëteiten het best op kort terugsnoeien”. Dat is een bevredigende bezigheid, geen gezeur, gewoon een soort maaien. Later kreeg ik de ongerijmde impuls om deze uitspraak te verifiëren en sloeg in Thomas' boek The Old Shrub Roses het hoofdstuk over snoeien op. En wat vond ik daar? “De Alba rozen hebben minder snoeien nodig dan de andere groepen, en oude takken vormen een mooie aanwas van uitlopers die vele jaren doorgaan met bloeien.”

Hoe nu? Een wilde zoektocht begon, in dit boek waarvan de index bepaald voor verbetering vatbaar is, om vast te stellen of ik de Königin al die jaren verkeerdelijk zo vlak op haar huid gesnoeid had. Gelukkig, anders was ik nu misschien rijp voor een inrichting, vond ik het: beide uitspraken staan in hetzelfde boek, elkaar wederzijds uitsluitend, de laatste op blz 53 en de eerste op blz 164, bovendien nog vergezeld van de volgende aansporing: “Het moet gedaan worden in december of januari, al het kleine hout van vorig jaar terugsnoeien tot zowat één inch, en de lange scheuten tot eenderde van hun lengte.”

Het was overigens niet de Königin die mij mijn verwondingen heeft toegediend. Zij is een discreet, niet erg doornig type. Degene die me besprong was Paul's Himalayan Musk Rambler, de roos die de appelboom ingroeit, net als die konijnen alles verstikkend dat hem in de buurt komt. De enorme stammen die langs de boom omhoog gaan vormen voor niemand een bedreiging, maar daaruit spruiten horizontale takken als de tentakels van een inktvis. Klimrozen in bomen hoeven in principe niet gesnoeid te worden, volgens de boeken, maar er komt een moment dat nood wet breekt. Dat is wanneer die rozen gaan lijken op een aangelijnde boze hond wiens actieradius onbetreedbaar is. Alleen blijft bij een hond die cirkel gelijk, maar rozen reiken elk jaar verder en doen voorbijgangers abrupt vastlopen; degene die het gras maait moet voortdurend bukken, als onder het vuur van sluipschutters, en van kinderen die hun voetbal zoeken wordt nooit meer iets vernomen.

Tuinhandschoenen, net als taxi's, zijn er nooit wanneer je ze nodig hebt - vermoedelijk liggen ze weer op de composthoop, enthousiast weggesmeten met het onkruid - maar als de roep tot snoeien wordt gevoeld is er geen houden aan. Gekrabd en bloedend kwam ik weer binnen, het karwei weer voor een jaar geklaard: “Here's the smell of the blood still: all the perfumes of Arabia will not sweeten this little hand”.