Bisschop Jan Bluyssen; Helper in de nood

JAN BLUYSSEN: Gebroken wit. Vrijmoedige herinneringen

579 blz., geïll., Anthos 1995, ƒ 59,50

Na het lezen van de memoires van de voormalige bisschop van Den Bosch, Jan Bluyssen, kan men zich moeilijk voorstellen dat er gelovigen in zijn bisdom zijn geweest die hem geen sympathieke prelaat hebben gevonden. De in 1961 als hulpbisschop aangetreden en in 1984 om gezondheidsredenen afgetreden bisschop moet een vriendelijke en zachtmoedige herder zijn geweest, meer een vriend dan een leraar, meer een helper in de nood dan een waarschuwer voor straf en verdoemenis. Als politieke begrippen van toepassing kunnen zijn op een leven gewijd aan God, dan kan Bluyssen het beste een democraat worden genoemd, misschien een typische representant van de jaren zestig.

Bluyssen heeft in zijn priesterloopbaan de bloei en de neergang van de rooms-katholieke kerk van nabij meegemaakt. Daarvan doet hij fascinerend verslag in zijn boek, hoewel soms wat wijdlopig in de hoofdstukken over de organisatie en de overlegstructuur van het eigen bisdom. De eerste aanzet tot dit boek werd gegeven door gesprekken met de journalist Ad Langebent. Langebent zette het boek in de grondverf, Bluyssen herschreef het en vulde het aan, zodat het toch helemaal zijn eigen boek is geworden. Een waardevol boek.

Johan Bluyssen (1926) was de oudste van een gezin met negen kinderen uit Nijmegen. Vader grossierde in koloniale waren en trok langs kloosters en andere katholieke instellingen in het zuiden en oosten van het land. Moeder zorgde voor de kinderen. In alle kamers hing een kruisbeeld. Dagelijks gingen de kinderen naar de kerk, aan tafel en voor het slapen gaan werd flink gebeden.

Iets van de devotie uit die jaren mag blijken uit het verhaal van Bluyssen over de dood van zijn tweejarige zusje als gevolg van hersenvliesontsteking. Tijdens haar korte ziekte baden zijn ouders vurig tot Maria en hun lievelingsheilige Gerardus Majella. Toen het meisje overleed, gaven zij uiting aan hun teleurstelling door het beeld van Gerardus Majella om te draaien, zodat hij met zijn gezicht naar de muur stond.

Priesterroeping

Wat de autobiografie vooral duidelijk maakt, is het verbazingwekkend hoge tempo waarin het 'rijke roomse leven' uit de Nederlandse kerkprovincie verdween. Bluyssen groeide op in een tijd waarin een priesterroeping nog als een gezonde ambitie, als een eer werd beschouwd. Het was normaal om zoals hij deed te worden opgeleid aan het klein-seminarie Beekvliet in St. Michielsgestel, waar vriendschap taboe was en behalve in de vrije tijd en bij de maaltijden niet gesproken mocht worden, vooral niet op de slaapzalen en op de toiletten. Ook was het normaal dat de seminaristen op het groot-seminarie in Haaren in isolement van de buitenwereld werden gehouden, om daarna als pastoor de wijken in te gaan en de mensen te vertellen wat ze moesten doen om in de hemel te komen. Maar amper twintig jaar na zijn eigen verblijf aldaar moest Bluyssen als bisschop de seminaries sluiten wegens het teruglopend aantal roepingen.

Wie Bluyssens verhalen leest over de diepe angst voor zonde en straf van de parochianen in Veghel, waar hij enkele jaren kapelaan was, de trouwe biechtgang, de volksdevotie, de vanzelfsprekende aandacht van pastoors voor het intieme gezinsleven, vraagt zich af hoe dit alles zo snel kon worden weggevaagd. Bluyssen weet het ook niet. Hij wijst de gedachte af dat het veelbesproken Tweede Vaticaans Concilie de onrust onder de gelovigen heeft aangewakkerd door een te vergaande vernieuwing te propageren. Bluyssen lijkt eerder geneigd de oorzaak (en de schuld) van de secularisatie in de kerk zelf te zoeken. De kerk heeft te laat gereageerd op de zich veranderende samenleving, en heeft zichzelf ook niet voldoende diepgaand innerlijk vernieuwd om werkelijk 'bij de tijd' te blijven, het thema van het Tweede Vaticaans Concilie.

Dit Concilie noemt Bluyssen het hoogtepunt van zijn leven. Het beraad in Rome van ruim tweeduizend bisschoppen werd gehouden in vier zittingsperioden van 1962 tot 1965 en het doel was de rooms-katholieke kerk te moderniseren, het 'aggiornamento' van initiatiefnemer paus Johannes. Niet de dogmatische uitgangspunten van de kerk stonden op het Concilie ter discussie, maar het functioneren van de kerk in een zich emanciperende samenleving. De kerk wilde afdalen naar de aarde, naar de mensen luisteren. En Bluyssen genoot met volle teugen. “Die periode was zo indrukwekkend, zo boordevol bezieling! Daar was de aarde voelbaar met de hemel verbonden, daar inspireerde de Geest Gods de kerk tot nieuwe uitspraken, nieuwe bezieling en nieuwe hoop. Het was echt een feest om dat te mogen meemaken”, schrijft hij.

Het Concilie heeft door zijn besluiten over vernieuwing van liturgie, oecumene, inspraak, collegialiteit tussen bisschoppen onderling en tussen de paus en de bisschoppen, binnen de kerk grote invloed gehad. Bluyssen verhaalt hoe in Nederland enerzijds de mensen nauwelijks konden wachten om de toegestane wijzigingen in de liturgie in te voeren en hoe anderzijds veel mensen in verwarring raakten toen deze veranderingen werden doorgevoerd.

Voorafgaand aan het Concilie werden eucharistievieringen in het Latijn gehouden en stond de priester met de rug naar de gelovigen, de aanwezigen namen er nauwelijks actief aan deel. Na het Concilie was het een en al Nederlands wat de klok sloeg. Het altaar werd omgedraaid, de communiebanken verdwenen, de hostie werd voortaan niet in de mond maar op de hand uitgereikt, terwijl vroeger het aanraken van de hostie als een doodzonde was aangemerkt! En overal werden experimentele liederen en gezangen in het Nederlands gezongen. Toch heeft de vernieuwing van de liturgie de verwachtingen niet waargemaakt. “Wat ik in het algemeen tegen heb op onze hedendaagse liturgievieringen is dat we er meestal zo lusteloos en 'uitgezakt' bijzitten”, schrijft Bluyssen.

Uit de memoires van Bluyssen blijkt hoezeer het Nederlandse episcopaat bereid was mee te denken met de progressieve stromingen binnen de kerk. Het college, destijds onder leiding van aartsbisschop kardinaal Alfrink, behoorde tot de avant garde van het wereldepiscopaat. Het lijkt nu bijna onvoorstelbaar dat in 1970 de Nederlandse bisschoppen officieel uitspraken dat gehuwde mannen tot het priesterambt moesten worden toegelaten en dat priesters wie het celibaat te zwaar viel, in de gelegenheid moesten worden gesteld om te trouwen. Toch deden ze dat.

Bluyssen spreekt vrijmoedig over de stekeligheden tussen Rome en de Nederlandse bisschoppen die naar het oordeel van het Vaticaan met hun critici wel erg veel geduld hadden. Nu eens verklaart Rome dat een Nederlandse catechismus te weinig aandacht besteedt aan de onbevlekte ontvangenis van de Moedermaagd, dan weer is een discussiestuk voor het Pastoraal Concilie, een overlegorgaan van priesters en leken, bij nader inzien veel te gewaagd. “In Rome en overal elders kreeg men de indruk dat de Nederlandse bisschoppen net zo rebels en brutaal waren als de meest spraakmakende groeperingen in hun kerkprovincie”, schijft Bluyssen. “Wat wij wonnen aan geloofwaardigheid in eigen land, verloren we in Rome”.

Boze droom

In 1968 werd Bluyssen zelf door Rome drie keer tot de orde geroepen. In het eerste geval had de Bossche bisschop volgens het Vaticaan te snel een priester dispensatie van de celibaatsgelofte verleend om hem in staat te stellen de inmiddels vastgestelde huwelijksdatum niet te missen. In een ander geval had hij het hoofd van de kerkelijke rechtbank, de officiaal, geen dispensatie van de celibaatsgelofte mogen verlenen zonder hem onmiddellijk in de lekenstand terug te brengen, in plaats van, zoals Bluyssen had gedaan, hem te vragen aan te blijven tot een opvolger was gevonden. In het derde geval kreeg Bluyssen zelfs een 'monitum', een persoonlijke terechtwijzing, omdat hij een voormalige predikant van de Nederlandse Hervormde Kerk tot priester had gewijd zonder daaraan een diakenwijding vooraf te doen gaan. “Als een boze droom is mij die geschiedenis bijgebleven”, schrijft Bluyssen. “Mijn naam is daar altijd wat bezoedeld gebleven, vrees ik, althans in bepaalde kringen”.

Bluyssen maakt in deze memoires geen teleurgestelde indruk. Er is veel niet doorgegaan, maar er is ook veel moois bereikt. En de hoop op het Goddelijk heil is voor Bluyssen onverwoestbaar. De titel Gebroken wit slaat op de toestand waarin de kerk in Nederland volgens de nu 69-jarige Bluyssen is komen te verkeren: enerzijds beseft hij dat de kudde wel erg klein is geworden, en dat de strijd tussen progressieve en behoudende katholieken diepe wonden heeft geslagen, anderzijds is de kerk nog steeds in het kostbare bezit van Jezus' evangelie.

In een mooi hoofdstuk over spiritualiteit noemt Bluyssen het christelijke geloof een relatiegeloof, een verbond tussen God en de mensheid. God is meer dan een opvuller van gaten, een wonderdoener en een rechter die alle problemen van de mensen oplost, een 'Lückenbüsser' zoals de Duitse theoloog Dietrich Bonhoeffer het formuleerde. God is ook weer niet de transcendente, onbereikbare God van de New Age beweging, die in alles te ontdekken valt maar tot wie de gelovigen zich zo moeilijk rechtstreeks kunnen wenden. Bluyssen pleit voor een herwaardering van het gebed, waarin de gelovigen dicht bij God kunnen zijn, in simpele woorden. En er is altijd hoop, volgens Bluyssen de christelijke deugd bij uitstek, de hoop op een uitweg uit de woestijn. “Redeloos meelopen met de kudde is niet ons ideaal, maar je helemaal isoleren is het andere uiterste. Het is genade dat we elkaar bij de hand kunnen nemen”, aldus Bluyssen.