Bedrijfsleven negeert migranten met topdiploma's; Moderne hugenoten

De meeste toegelaten vluchtelingen in Nederland zijn en blijven werkloos, wat ze er ook aan doen. Dat geldt zelfs voor de hoger opgeleiden; in de Gouden Eeuw werd om deze 'kwaliteitsmigran- ten' nog gevochten. Het kabinet concentreert zich nu op de ongeschoolden. Voor de Iraanse ir. is er geen Melkert-baan.

Niemand zal zeggen dat Samer Omar Hassan zijn best niet heeft gedaan om in Nederland aan het werk te komen. Hij kwam hier als vluchteling in 1982, 22 jaar oud, leerde Nederlands, doorliep de avond-HTS, en behaalde het diploma electrotechiek en telecommunicatie. Het was niet genoeg. Hij deed nog een paar cursussen. Dat hielp ook niet echt. En toen, een paar jaar geleden, zei iemand van het arbeidsbureau tegen hem: volgens mij ligt het aan je naam. 'Hassan' klinkt niet Nederlands genoeg. Ik zou dat maar veranderen als ik jou was.

Het werd nog een heel gedoe, want Hassan was zich wel heel Nederlands gaan voelen, maar zijn naam moest toch herinneren aan zijn afkomst - een Koerd uit Noord-Irak. Hij kwam uit het plaatsje Duhok - een goed alternatief, dacht hij. Dat vonden ze ook niet Nederlands genoeg klinken. Wat moest hij dan, vroeg hij zich af. Moest hij zich dan Jansen of Pietersen gaan noemen? Nee, dan maar Botani, de naam van zijn grootvader van moeders kant, zoals Hassan de naam van zijn grootvader van vaders kant was. Vooruit dan maar, Botani zou in ieder geval beter liggen dan Hassan, zeiden ze.

Sinds ongeveer een jaar gaan de sollicitatiebrieven de deur uit ondertekend door S.O. Botani. Zonder succes. Hij wordt er zo langzamerhand een beetje wantrouwig van. Het is hem zo vaak overkomen dat bij een sollicitatie iemand werd aangenomen die minder gekwalificeerd was dan hij. Dat weet hij zeker. Waarom willen ze hem niet? Misschien zijn ze bang voor hem, denkt hij. Misschien denkt zo'n man die hem moet aannemen: over een jaar zit die Botani op mijn plaats.

Stinkend jaloers is hij op de mensen die hij 's morgens om acht uur met een tasje onder hun arm het huis uit ziet gaan. Botani zou nu zelfs schoonmaakwerk willen doen - als hij maar van acht tot vijf weg was, en het idee had dat hij in die tussentijd iets gedaan had, en dat het morgen en overmorgen net zo zou zijn. Maar voor schoonmaakwerk moest je ook enige ervaring hebben, werd hem gezegd. Nou is Botani toch eigenlijk wel kwaad. Hij zal het nooit redden zonder een kruiwagen, dat is de duidelijk. Of nog beter: de overheid moet iets doen.

Geloofsgenoten

Het lijkt er op dat vluchtelingen het in Nederland wel eens beter hebben gehad. Ooit streden de Hollandse steden om hun gunst. Er werden schepen naar Antwerpen gestuurd om ze op te halen. Huizen en bouwgrond werden ter beschikking gesteld. In 1688 hief Amsterdam zelfs speciale belastingen ten behoeve van de hugenoten. Zij waren immers geloofsgenoten in nood, en, wat nog belangrijker was, ze hadden vaardigheden waar de stad haar voordeel mee kon doen. Dat was de Gouden Eeuw, Nederlands betere ik - toen was het gastvrij, tolerant, cosmopolitisch en nog machtig bovendien. Een periode waar we ons graag aan spiegelen.

De twintigste eeuw heeft ook haar hugenoten. De Iraniërs bijvoorbeeld: duizenden zijn er de laatste jaren naar Nederland gekomen. Hoog opgeleid meestal, en altijd ambitieus en overtuigd westers-liberaal. Zoals Sepideh Datoobar, 35 jaar oud en met een Nederlands doctoraal wiskunde en informatica. Maar om haar werd niet gevochten. Ze schreef zeventig sollicitatiebrieven, tevergeefs. Ze wilden zelfs niet met haar praten - dat was om te janken, maar het bracht haar ook op een idee. Er moesten meer zijn zoals zij, ze zou voor die mensen een uitzendbureau beginnen dat in ieder geval een eerste contact met werkgevers zou kunnen leggen. Ze noemde het nOva (nederlandse Organisatie vluchtelingen en arbeid) en begon een paar maanden geleden. Vluchtelingen waren er direct genoeg: er hebben zich al achthonderd ingeschreven, waaronder Botani. Het werk laat nog even op zich wachten.

Tachtig procent van de vluchtelingen in Nederland is werkloos, denkt Datoobar. Het is moeilijk om dat cijfer bevestigd te krijgen. Rapporten en onderzoeken zijn er natuurlijk genoeg, maar vluchtelingen staan nergens als aparte categorie geregistreerd, zodat het niet eens duidelijk is hoe groot hun aantal nu is. Het moeten er meer dan honderdduizend zijn, als men begint te tellen bij de Vietnamese bootvluchtelingen, eind jaren zeventig. De grootste groepen zijn Vietnamezen, Joegoslaven, Ethiopiërs en Somaliërs, Koerden uit het Midden-Oosten, Iraniërs en Irakezen. Hoger opgeleiden komen vooral uit het Midden-Oosten en Joegoslavië.

Er zijn lange procedures te doorlopen voor men als asielzoeker enigerlei erkenning krijgt. De taal moet geleerd, bijscholing genoten en werk gezocht. Dat kan bij elkaar jaren duren, en daarom is de werkloosheid onder vluchtelingen vier jaar na hun aankomst in Nederland vermoedelijk inderdaad zo'n tachtig procent. Op grond van onderzoeken, bijvoorbeeld onder de Vietnamezen, is aan te nemen dat daarna - na een verblijf van acht jaar en meer - het percentage daalt tot ongeveer veertig, vergelijkbaar met dat van andere allochtonen.

Vuil werk

Vluchtelingen en andere immigranten trekken naar de grote steden, net als in de Gouden Eeuw. Volgens de ondertrouwregisters kwamen in de eerste helft van de zeventiende eeuw 39 procent van de Amsterdamse bruiden en bruidegoms van buiten de republiek. In de achttiende eeuw was dat nog altijd 25 procent. Ze waren niet allemaal zo hartelijk welkom geheten als de rijke handelaren uit Zuid-Nederland of Frankrijk, maar kenden vaak wel landgenoten die zich hier in bepaalde beroepen hadden gevestigd. Zo schenen in Amsterdam alle bakkers uit Duitsland te komen. Steun van de overheid, of van de eigen groep, dat waren de manieren om een enigszins succesvol immigrantenbestaan op te bouwen. Zo niet dan restten slechts de minste baantjes bij het leger of de vloot, of ander vuil werk - ook toen.

De vluchtelingen van nu kennen zelden landgenoten hier. Mensensmokkelaars en internationale vluchtelingenorganisaties vertellen ze waar ze heen gaan - ze hebben het niet zelf voor het zeggen. De Iraanse Peri en haar man Hossein hadden nauwelijks van Nederland gehoord, voor ze drieëneenhalf jaar geleden hier belandden. In Duitsland wonen veel Iraniërs, in Engeland ook - en Engels was hun tweede taal. Desnoods waren ze naar Frankrijk gegaan, als ze hadden mogen kiezen, maar zeker niet naar Nederland. De Iraniërs met geld en invloed, die hun landgenoten zouden kunnen steunen, zitten elders. In Los Angeles is er een Iraanse televisiezender, “en hier hebben we niet eens een Iraanse winkel”, zegt Hossein, lichtelijk geamuseerd.

Peri en Hossein beschrijven zichzelf graag als sociologische fenomenen. Zij en andere Iraanse vluchtelingen hoorden niet bij de elite, maar bij een middenklasse in opkomst - een groep met een doel voor ogen: een hecht gezin, onderwijs, wetenschap, emancipatie, vrijheid en democratie - al die dingen zijn voor hen met elkaar verbonden. Ze volgden allebei een universitaire opleiding en ze hadden het niet slecht: een eigen bedrijf, een huis, een auto, en twee dochters. Tot de onvrijheid levensbedreigend werd en ze door de bergen naar Turkije liepen.

Midden dertig, wereldwijs, zelfbewust en ambitieus - zulke mensen zouden het in Nederland goed moeten redden. Al na een jaar hadden ze de eerste belangrijke horde genomen: aan de Universiteit van Utrecht behaalden ze het hoogste diploma Nederlands als tweede taal. Ze vonden een huis. Ze gingen als vrijwilliger werken - zij in buurthuizen, hij in een bejaardentehuis. Om iets te doen te hebben, voor de ervaring, om de maatschappij te leren kennen.

Zij vond werk als laborante op een tijdelijk contract. Hij kreeg een 'werkervaringsplaats' via een werkgelegenheidsproject van de Vereniging VluchtelingenWerk Nederland. Ze zouden dik tevreden moeten zijn, maar Peri verzucht dat ze met al dat 'ervaren' toch nog iets tekortkomen, namelijk echt werk en een echt inkomen. Hun dochters, van twaalf en zeven, winnen prijzen en halen hoge cijfers op school. Maar ze moeten als middenklassekinderen mee kunnen komen, dat wil zeggen: ze hoeven niet èn naar schaatsles, èn naar paardrijden, èn op zwemmen - maar naar een daarvan toch wel.

Peri en Hossein zijn de sociale dienst nog niet ontgroeid, en ze geloven niet dat dat zonder hulp zal gebeuren. Ze voelen de concurrentie met andere werklozen, en hun achterstand: te weinig werkervaring in Nederland, en - ondanks die mooie diploma's - een geringere taalbeheersing. Zo hebben ze bij voorbaat al verloren - bedrijven zijn er niet voor handhaving van de mensenrechten, zegt Peri. Hulp kan er maar van één kant komen, denken ze: de overheid. Maar die moet dan wel stimuleren, en ze niet zoals nu afhankelijk en passief maken door alle regelingen en uitkeringen.

Kapitaal

Er is zojuist weer een nieuw rapport uitgekomen over vluchtelingen: 'Integratie van vluchtelingen op de arbeidsmarkt'. Het beschrijft een wirwar aan regelingen en regelingetjes die in iedere gemeente weer verschillen. Het moet allemaal anders worden, er komt voor iedereen een 'inburgeringstraject', dat is al vastgesteld, maar hoe dat precies gaat verlopen weet niemand. Er zijn wel slechte voortekenen. Het rapport besluit zorgelijk: “Het inburgeringsbeleid brengt meer lijn in de eerste fase (het leren van de taal) van het integratiebeleid voor vluchtelingen en nieuwkomers. Na die eerste fase onstaat er echter een 'gat'. De mogelijkheden voor vervolgonderwijs of om- en bijscholing zijn immers kleiner geworden als gevolg van bezuinigingen.”

En verder: “In het 'gat' verdwijnt met name het 'menselijk kapitaal' van de hoger opgeleide vluchtelingen”. De weinige scholingsmogelijkheden die het arbeidsbureau nog te bieden heeft zijn bedoeld voor lager opgeleiden. Zaken als 'werkervaringsplaatsen' zullen worden afgeschaft - het geld gaat naar de 'Melkertbanen', voor de ongeschoolden. Zo zullen hoger opgeleide vluchtelingen onder hun niveau gaan werken, en daar de lager opgeleiden uit de arbeidsmarkt verdringen.

Vechters

Sepideh Datoobar, van het uitzendbureau, blijft er tamelijk rustig onder. Vluchtelingen zijn geen doorsnee-mensen, het zijn keiharde vechters, zegt ze. Dat mag zo wezen, maar in het gevecht voor een nieuw bestaan worden vluchtelingen telkens van hun a propos gebracht door een vroegere strijd, in hun land van herkomst, en die is nooit helemaal gestreden. Vrienden en familie zijn achtergebleven; idealen niet verwezenlijkt, maar kunnen ook niet zo maar vergeten worden.

Zo is er de 52-jarige Iraanse farmacoloog, die wekelijks zijn sollicitatiebrieven schrijft, maar de dag verder doorbrengt met dromen over een herstel van de monarchie in Perzië. Zijn trots is zijn afkomst. Hij is een ariër, zegt hij, een ras dat niet vatbaar is voor het fanatisme van de islam, en evenmin geschikt voor de drugshandel. Hij richt smeekbedes aan het ministerie van gezondheid, om werk, maar hij gelooft niet echt in zijn verblijfsrecht hier. Een land, zegt hij, is eigendom van degenen die er al woonden - Nederland is voor de Nederlanders, en Iran is voor de Iraniërs. Samen met andere Iraanse monarchisten, hier en in het buitenland, bereidt hij zijn terugkomst voor.

Voor Peri en Hossein ligt het iets anders. Hossein overleeft, zegt hij, dank zij 'openheid van gedachten' - een intellectuele manier van kijken. Je moet jezelf in de wereld kunnen zien, denkt hij, en niet alleen in een eigen groep, anders maak je je probleem veel te groot. Als de Nederlandse regering zegt dat Iran een bijna 'veilig' land is, terwijl de mensenrechten-commissie van de Verenigde Naties daar toch heel anders over denkt, dan moet je begrijpen waarom dat gezegd wordt. Als je niet begrijpt dat er bepaalde economische wensen achter dat idee zitten, dan word je duizelig, zegt Hossein. Je moet het jezelf kunnen uitleggen.

Peri denkt dat het vooral belangrijk is om in principes te geloven - culturen mogen dan verschillen, met principes kan je overal het goede van het slechte onderscheiden, als je maar goed kijkt. Ze wil niet leugenachtig leven, en er zijn grenzen aan wat ze voor een comfortabel leven over heeft. Ze wil dat mensen vrij zijn, en gelijk voor de rechter, ze wil dat iedereen werk heeft en een dak boven zijn hoofd. Solidariteit met mensen overal - als ze dat maar voor ogen houdt, denkt ze, dan blijft ze niet alleen op Iran gericht. Als de wereld maar groot genoeg is dan heeft ze ook plaats voor haar verdriet over de achtergelaten vrienden en familie.

Het echt degelijke burgermansbestaan zal uiteindelijk alleen voor hun kinderen weggelegd zijn. De oudste van Peri en Hossein, die van twaalf, heeft net de uitslag van de citotoets gekregen: ze is geschikt voor het VWO. En ook de kinderen van de farmacoloog doen het goed - de een is de beste van klas, anderen slagen cum laude. Natuurlijk gaan ze met hem terug naar Iran als het land er klaar voor is, denkt hij, maar hij moet toegeven dat ze inmiddels hier ook wel hun contacten hebben.

In de Gouden Eeuw was het niet anders. Zelfs de handelaren uit de Zuidelijke Nederlanden, en zelfs de hugenoten, hoe er ook om hun gunst was gedongen - eenmaal woonachtig in de republiek lieten de autochtonen hun nooit vergeten dat ze slechts immigranten waren. Dat gevoel verdween pas met de generaties, generaties die net als de Koerdische Hassan die nu Botani heet, hun namen vernederlandsten. Zoiets is geen luxe, als je - zoals een van hen schreef - op straat wordt nageroepen met 'Sla Doodt de Wael, Sla Doodt'.

Om redenen van privacy zijn enkele namen in dit artikel gefingeerd.

Historische gegevens uit 'Nieuwkomers, nakomelingen, Nederlanders - Immigranten in Nederland 1550-1993' van J. Lucassen en R. Penninx (Het Spinhuis, 1994). 'Integratie van vluchtelingen op de arbeidsmarkt' Centrum Migratie Onderzoek, UvA, met steun van VluchtelingenWerk. Uitzendbureau nOva Eerste Jan Steenstraat 104, Amsterdam, 020-6620910.