Amerikaanse problemen

ANDREW SULLIVAN: Virtually Normal. An Argument About Homosexuality

209 blz., Picador 1995, ƒ 45,-

Zou er nou nog iemand op zo'n boek zitten te wachten? In Nederland niet, lijkt me. Al bijna 30 jaar geleden publiceerde de psychiater Wijnand Sengers bij de katholieke uitgeverij Brand een boek over homoseksualiteit onder de titel Gewoon hetzelfde?. Goed, er stond nog een vraagteken achter, maar het antwoord was wel al 'ja' of in ieder geval 'ja, bijna'. Dat is ook het standpunt van Sullivan en voor hem is het nieuw, want van Sengers heeft hij nooit gehoord en hij schrijft voor Amerikanen over ten dele typisch Amerikaanse problemen. Het steekt hem dat in het Amerikaanse leger de grote leugen beleid is geworden: over de eigen homoseksualiteit mag niet gepraat worden en naar iemand anders' homoseksualiteit mag niet gevraagd worden.

Sullivan is niet van plan in het leger te gaan, maar hij wil wel met een man kunnen trouwen. Hij schrijft er zo mooi over, dat je er zelf zin in zou krijgen en omdat toeval niet bestaat, had ik het boek nog in mijn hand toen ik staatssecretaris Schmitz op de televisie hoorde verklaren dat ze over dat trouwen nu toch eens ernstig zou nadenken. Aan wetten staan hier wel veel praktische bezwaren in de weg, vooral in het buitenland, maar de staatssecretaris leek toch niet ongenegen, zolang het maar niet zou leiden tot een recht op adoptie. Over dat laatste heeft Sullivan zelfs nog niet durven denken, maar in Nederland vinden de regeringspartijen al dat adoptie door een homopaar natuurlijk moet kunnen. Als een niet mis te verstane waarschuwing tegen al te veel euforie komt dan het bericht dat allochtone jongeren de pest hebben aan homo's en in het Utrechts Nieuwsblad komt een leraar aan het woord die op school juist door leerlingen gepest wordt met zijn homoseksualiteit. Op zijn nieuwe school is hij nu maar wat minder open over zijn geaardheid.

Andrew Sullivan is hier onbekend en daarmee vervalt een belangrijk deel van de betekenis van zijn bekentenis. Hij is het jonge neefje van Gore Vidal, redacteur van het toonaangevende politieke weekblad The New Republic en in Engeland, waar hij oorspronkelijk vandaan komt, medewerker van The Sunday Times. Hij is jong en openlijk homoseksueel, ziet er uit als de ideale schoonzoon en geldt als briljant. Hij schrijft in ieder geval buitengewoon virtuoos en dat op zich maakt zijn boek al tot iets bijzonders. Oude, zich steeds weer herhalende en daarom volstrekt zinloze discussies over homoseksualiteit worden op een hoog niveau nog eens fijntjes over gedaan. Het blijft natuurlijk een illusie te denken dat je homohaters en homofoben met redelijke argumenten kunt overtuigen, net zo min als te verwachten is dat de voorvechters van volledige en snelle emancipatie zich tot een smaakvolle matiging in hun eisen zullen laten brengen.

Als lezer verbaas je je over de intellectuele energie die Sullivan steekt in de verdediging van zoiets banaals als het recht van een majoor niet stiekem te hoeven doen over zijn seksuele voorkeur.

Met rationele argumenten alleen is ook zoiets basaals als het recht om een band voor het leven tussen twee mannen of twee vrouwen juridisch en sociaal als huwelijk vorm te mogen geven, niet te winnen. Als tegenstanders overtuigd zouden kunnen worden van een tekort aan logica in hun eigen redeneringen, dan was het pleit allang geleden gewonnen. Ook in de Verenigde Staten.

Sullivan construeert vier ideaaltypische standpunten om tenslotte tot een eigen positie te kunnen komen. Uiterst rechts plaatst hij het religieus-fundamentalistische standpunt, dat homoseksualiteit als gedrag wil verbieden en desnoods vervolgen. De echte 'prohibitionist' kan niet aanvaarden, dat homoseksueel gedrag voor de betrokkene geen decadente keuze is, maar de uiting van een gevoel dat niet anders denkbaar is.

Aan de andere kant van het spectrum bevindt zich dan het roze front van de 'liberationists', wie het niet gaat om de individuele vrijheid van de homoseksueel, maar om de strijd tegen de macht die homoseksueel gedrag afgezonderd en veroordeeld heeft en homoseksualiteit tot een negatieve identiteit gemaakt heeft. Hier treedt Michel Foucault tegen Thomas van Aquino, de kerkvader van de 'prohibitionists', in het krijt. Wat beide verbindt, is merkwaardig genoeg toch de gedachte dat homoseksueel gedrag niet de uitdrukking is van een gevoel, maar van een wil. Homoseksueel gedrag is een maatschappelijke daad en daarmee ook een politieke en morele standpuntbepaling.

Tussen deze beide extremen in vinden we dan de conservatieven, die niet zoveel bezwaar hebben tegen homoseksuelen op zich, maar op geen enkele wijze met homoseksueel gedrag geconfronteerd willen worden. Het mag bestaan, als een ondeugd of een hobby in de privésfeer, maar in het sociale en politieke leven kan er geen sprake zijn van erkenning of zelfs maar acceptatie. Het gaat te ver om het helemaal te verbieden, maar het moet absoluut ontmoedigd worden. Homoseksualiteit bedreigt de toekomst van de samenleving en ondermijnt het monopolie van het heteroseksuele huwelijks- en gezinsleven.

De treurigste positie is merkwaardig genoeg die van de 'liberals', de gematigd progressieven, die zich inzetten voor de verwerkelijking van de individuele zowel als de sociale grondrechten. Sullivan ontpopt zich hier als een 'conservative liberal', die vooral bezwaar heeft tegen de progressieve neiging het goede systematisch te bevorderen, door positieve discriminatie of een wet op gelijke behandeling. Laat de staat ons gewoon de rechten geven, die heteroseksuelen hebben (dat zou dus ook de mogelijkheid van adoptie in moeten houden, maar Sullivan is voorlopig nog tevreden met de rol van leuke oom of enthousiaste hopman), al het andere regelen we dan zelf wel en we hoeven tegen niemand dankjewel te zeggen. Een schoolbestuur dat geen homoseksuele leraar wil, is daar vrij in. Het probleem zal vanzelf opgelost worden, omdat de samenleving uiteindelijk wel zal ontdekken hoe waardevol al die getrouwde homo's en homoseksuele officieren zijn. Kortom, als de homo zijn vrijheid door de staat gegarandeerd weet, zal de samenleving al gauw niet meer zonder hem willen.

Een hemelbestormer is Sullivan niet, al is er in de Angelsaksische landen zeker nog moed voor nodig om als vooraanstaand intellectueel open voor je eigen homoseksualiteit uit te komen. Hij doet dat met gevoel en met inzicht, maar hij is toch ook wel een beetje naïef, vooral in zijn visie op een 'liberale' toekomst. Hij is deelnemer aan een debat, dat hij voor een belangrijk deel met zichzelf aangaat en dus nooit beslissend zal kunnen zijn voor de positie van homoseksuelen in de samenleving. Zijn tegenstanders zijn theoretische constructies en de kracht van zijn argumenten geldt alleen voor wie de macht van de eigen emoties al heeft overwonnen. Je leest hem niet als je het al niet in hoofdlijnen met hem eens bent.