Zoent de zee het zand; Bloemlezing van Surinaamse poëzie

Lichtheid is een van de opvallendste eigenschappen van de Surinaamse poëzie. Daarin is iets bewaard gebleven van de liedcultuur van de oorspronkelijke bewoners van Suriname, de indianen. Met de 'Spiegel van de Surinaamse poëzie'is de basis gelegd voor een nieuwe canon.

Spiegel van de Surinaamse poëzie. Van de oude liedkunst tot de jongste dichters. Samenstel. Michiel van Kempen. Uitg. Meulenhoff. 732 blz. Prijs ƒ 59,50 (paperb.), ƒ 79,50 (geb.).

Er staan veel mooie gedichten in de Spiegel van de Surinaamse poëzie. Hier volgt er een, van Corly Verlooghen. Het heet 'Mijn oe' en daar gaat het ook over: Je bent mijn oe

mijn zoete oe

ik dek je toe

en groet je

en repeteer je naam

oe oe mijn lieve oe.

En dit is er ook een, van Trudi Guda:

Strand bij Coronie

Dragen vogels de wind

koelt de zee het strand

Vrijen vogels de wind

zoent de zee het zand, het zand, het zand

Ik vind ze ontroerend mooi, maar ik zou niet goed kunnen zeggen waarom. Kort, klein en kinderlijk, ja. Zuiver, zwoel en zangerig. De charme van een niemendal. Volgens de deskundiggen moet ik in het onbekende iets herkend hebben, maar wat? Ik weet nog steeds niet wie of wat een oe is, en het strand bij Coronie heb ik helaas alleen nog maar op de kaart zien liggen, maar toch gaf ik mij meteen gewonnen. Heb ik, aanvankelijk onbewust, iets literairs herkend? Ik beken dat ik bij 'Mijn oe' even heb moeten denken aan 'Oote' van Jan Hanlo (met regels als 'oe oe oe etc.') en ook wel aan de 'roekoemeisjes' en de 'toedoemeisjes' van Andreus, maar meer overeenkomst dan de oe-klank is er niet. Bij het gedicht van Guda trok nog wel even Luceberts 'Visser van Ma Yuan' voorbij, vanwege de lichte thematische overeenkomst, de omgekeerde zinsvolgorde en de kleine verschuivingen binnen de regels, maar ook daar geloof ik niet dat de herkenning de reden voor de waardering is.

Zijn het typisch Hollandse verzen en werd ik er daarom zo door getroffen? Ik dacht het niet. Zijn ze typisch Surinaams? Het zou kunnen. Misschien zit er wel een bekend slaapliedje verborgen in 'Mijn oe' en misschien roept bij Surinamers alleen al de naam Coronie een bijzonder strandgevoel op. Beantwoorden ze aan het cliché over de tropen: zon, zee, liedje, laat maar waaien? Jawel, maar vervang Coronie door Katwijk: dan hadden ze ook in de Spiegel van de Zuid-Hollandse poëzie kunnen staan. Zijn ze representatief voor de Spiegel van de Surinaamse poëzie waarin ze zijn opgenomen? Ik geloof het niet. In vergelijking met de ruim zeshonderd andere gedichten vallen ze niet uit de toon, maar ze voegen zich ook weer niet naar een bepaalde stroming.De Surinaamse poëzie is, zo blijkt, vooral erg jong en er zijn naast elkaar allerlei tradities en experimenten in te vinden.

Ik zou 'Mijn oe' en 'Strand bij Coronie' dus graag gewoon willen lezen zoals ik ze meteen al las: als mooie, onbevangen gedichten van twee dichters van wie ik niets weet. Dat ik er zo lang bij stil sta, komt omdat ik me wel degelijk onzeker voel. Dat is altijd zo, bij ieder 'oordeel', maar zeker in het geval van de Westindische letteren, waar smaak en oordeel al gauw een politieke lading krijgen, en dus gewantrouwd worden. Ik zou graag onbevangen lezen en oordelen, maar dat wordt hier lastig. Wie zijn bedenkingen heeft, is al gauw een kortzichtige neo-koloniaal, en wie enthousiast is zal wel met een schuldgevoel kampen.

Daar komt nog eens bij dat Michiel van Kempen, de samensteller, zich in zijn inleiding opmerkelijk luchtig uitlaat over het begrip kwaliteit. 'Ik begrijp niet zo goed waarom over dat kwaliteitscriterium vaak gesproken wordt alsof het zo vreselijk omstreden zou zijn, maar goed: aan het adres van semi-wetenschappelijke scherpslijpers zeg ik er maar meteen bij dat het hier om een subjectieve keuze gaat.' Dat klinkt wel lekker fris, maar uit het vervolg blijkt dat zijn eigen kwaliteitscriteria rijkelijk vaag zijn ('de moeite van het lezen waard') en bovendien door allerlei andere criteria gedwarsboomd werden, zoals 'het relatieve belang van een dichter in de Surinaamse letteren' en ook de mate van verbondenheid met het moederland.

Het officiële uitgangspunt was dat werk werd opgenomen van de dichters 'die in Suriname werden geboren - waar ze later ook in de diaspora beland mogen zijn - en van de dichters die buiten Suriname werden geboren, maar zich in Suriname vestigden en hun lot definitief met het land verbonden.' De versjes van blanke planters zijn hier dus niet te vinden en die van toevallige passanten evenmin. Hans Faverey, die op zijn zesde naar Nederland verhuisde, dus wel - al lijkt zijn geval wat moeilijk te liggen. In sommige kringen schijnt men zich volgens Van Kempen af te vragen 'hoeveel ons Surinamer die Hans Faverey nou eigenlijk is'. Hij werd met slechts vijf gedichten opgenomen, terwijl het maximum veertien is. Hier laat zich toch een ingewikkelde rekensom (gewicht maal belang gedeeld door geboorte minus de wortel uit de smaak) vermoeden, ondanks het subjectieve uitgangspunt. Al is het natuurlijk ook mogelijk dat Van Kempen de poëzie van bijvoorbeeld Johanna Schouten-Elsenhout (met veertien gedichten) veel meer 'de moeite van het lezen waard' vindt dan die van Faverey.

Van Kempen heeft een brede smaak, en dat moet misschien ook wel voor zo'n eerste inventariserende bloemlezing, maar ik vind zijn Spiegel een nogal ongelijksoortig geheel geworden. Er staat naast erg veel moois en verrassends ook veel middelmatigs in, in alle genres. Naast nationalistische verzen volgens het boekje ('laat ons werken aan een nieuw Suriname') staat een persoonlijke en beeldende liefdesverklaring aan Suriname van Shrinivási. Er zijn voorspelbare heimwee- en ballingschapsverzen (in een Hollandse sneeuwbui terugdenken aan de tropen), maar ook indirecte, en dus veel ontroerender, zoals van Bernardo Ashetu - een Slauerhoff-achtige dichter van wie ik wel veel meer zou willen lezen dan de veertien opgenomen gedichten.

Ané Doorson schreef een lang verhalend gedicht over 'Jaw de negerslaaf' die overleed in de nacht voor de dag waarop de slavernij werd afgeschaft: smartelijk gegeven, keurig rijmend gedicht. Dan is in het genre van het geëngageerde gedicht Jozef Slagveer verrassender. Zijn 'in memoriam doctor hendrik verwoerd' is een parodie op het Johannes-evangelie, dat nu zo begint: 'in het begin was het blank / en het blanke was bij god / en het blanke was god / dit was in het begin bij god'. Naast softe candlelight-verzen staan prachtige liefdesgedichten en naast de weemoedige terugblik tientallen eenvoudige, heldere, licht onthechte gedichten van het type 'Mijn oe'.

Allicht is mijn blik iets vertekend, maar ik denk dat deze lichtheid nog een van de meest in het oog springende eigenschappen van de Surinaamse poëzie is. Daarin is iets bewaard gebleven van de liedcultuur van de oorspronkelijke bewoners van Suriname, de indianen. De bloemlezing opent met een kleine, maar verrassende afdeling 'orale verzen' waarin enkele van deze liederen zijn opgenomen. Voor het overige is generaliseren hachelijk bij zoveel verschillende dichters (die zich ook nog eens op zoveel verschillende plaatsen bevinden), talen (Sranan, Sarnami, Hindi, Chinees, Javaans o.a.) en culturele achtergronden. De dichtende gemeenschap is klein, veel bundels worden in eigen beheer uitgegeven en de eigen poëzie heeft zich pas in de loop van deze eeuw ontwikkeld, dat wil zeggen aan het koloniale voorbeeld ontworsteld.

In zijn heldere inleiding maakt Van Kempen aannemelijk dat de Surinaamse poëzie pas in 1957 begint, met de verschijning van de bundel Trotji (Aanhef) van Trefossa: de eerste dichter die een Surinaamse volkstaal als een volwaardige literaire taal gebruikte. Hij vormt het begin van 'het Trefossa-spoor van diepzinnigheid en taalsubtiliteit dat uitkomt bij een handjevol ware poëzielezers'. Daartegenover staat R. Dobru, de nationale dichter, wiens 'spoor van oppervlakkigheid en taalsjablones leidt naar de volksmassa' (maar toch altijd nog met zeven gedichten aanwezig). Tussen die sporen moet de Surinaamse dichter kiezen en misschien verklaart dat ook de ongelijksoortige indruk die deze Spiegel maakt. Van de grote namen (zoals Shrinivási, Michaël Slory, Jit Narain) is wel duidelijk dat zij 'gestalten' zijn, met een eigen stem, maar de grootste verrassingen vond ik onder de kleinere dichters, soms maar met één gedicht opgenomen: Eddy Pinas, Paul Marlee, Rahi, Suraj. Of de negen wonderschone gedichten van Bhai.

Van Kempen heeft met deze Spiegel een fundament gelegd onder de nog jonge Surinaamse poëzie. Hij heeft een schat aan gedichten bijeengebracht (soms ook letterlijk: door ze bij de dichters thuis op te halen) en, of hij dat nu wilde of niet, een eerste canon afgeleverd. Die zal in ieder geval gelezen worden, en vast ook wel bekritiseerd, verworpen of omarmd, want zo hoort dat bij een nieuwe canon. Bloemlezingen zijn wonderlijke dingen. In 1950 zat een jongen op het Amsterdams Lyceum zich te vervelen bij de lessen over Marsman en Roland Holst. Totdat hij in de schoolbloemlezing Van Ostaijen onder ogen kreeg en zag 'dat het ook heel anders kan. Dat het eigenlijk zo moet.' Zo werd een dichter geboren, Hans Faverey. Misschien zit er nu wel ergens in Paramaribo een jongen of een meisje verveeld naar buiten te kijken en af en toe eens suf te bladeren in die veel te dikke Spiegel van de Surinaamse poëzie. Dan valt zijn of haar oog ineens op Faverey, of op Bernardo Ashetu, of op Bhai. En hij of zij ziet dat het ook heel anders kan, dat het eigenlijk zo moet. Van Bhai, pseudoniem van James Ramlall, geboren in 1935: Ik ben een glas - leeg -

Dat staat te wachten

Op een tafel

In een onbewoond vertrek

Ik heb geen verlangen

Maar ben tevreden

Als ik ooit

Iemand laven mag