Wachten op de jongste dag

Homero Aridjis: De heer der laatste dagen (El señor de los últimos días). Vert. Aline Glastra van Loon. Uitg. Meulenhoff, 303 blz. ƒ 45,-

De Mexicaanse schrijver Homero Aridjis heeft iets met apocalyptische tijden. In zijn voorlaatste roman, De fabel van de zonnen, beschreef hij hoe een door milieuvervuiling en corruptie ontwrichte Mexicaanse maatschappij ten onder ging en herboren werd. Eerder schreef hij twee grote historische romans over de periode rondom 1492, waarin de Spaanse joden van hun geboortegrond werden verjaagd en gedwongen waren elders - soms in een Nieuwe Wereld - een nieuw bestaan op te bouwen.

In zijn nieuwste roman, De heer der laatste dagen, keert Aridjis terug naar de vooravond van het jaar 1000. In een klooster in het Noordspaanse León wacht de monnik Alfonso op de jongste dag. Visioenen tekenen zich af aan de hemel, valse en echte messiassen trekken door het land en boetelingen kwellen zich tot bloedens toe, terwijl in het zuiden van het schiereiland de Moorse beschaving een decadent hoogtepunt bereikt en Al-Mansoer tracht de resterende delen van Spanje aan zich te onderwerpen.

Aridjis is geen subtiel schrijver. Hij houdt van schokeffecten en legt zich in zijn rijke, vaak bizarre fantasie weinig beperkingen op. Ook in dit boek kan het hem vaak niet pittoresk genoeg. De moorse decadentie overtreft de stoutste dromen van kinky Hollywood, de eschatologische gekte van doempredikers en satanaanbidders is soms op het hilarische af en zelfs de meest kuise clerus wentelt zich in wellustige ontucht naar de voorschriften van de zwartste romantiek.

Toch is de roman, die Aridjis de vorm heeft gegeven van een reeks visioenen, niet zonder charme. De uitzinnige taferelen krijgen soms een wonderlijke schoonheid, zoals ook het tragische verhaal van Alfonso en zijn Moorse tweelingbroer, die elkaar niet kunnen liefhebben maar - net als het verscheurde moors-christelijke Spanje zelf - evenmin kunnen missen, weet te ontroeren. Daarvoor moeten we dan wel wat overspannen dramatiek voor lief nemen, want Aridjis is geen relativerend schrijver: niet jegens zijn onderwerp en niet jegens zichzelf. Een mediaevistische bibliografie van zeven pagina's sluit het boek af. De schrijver is niet van de straat.