Vrouwen hebben weinig zin in besturen

DEN HAAG, 8 MAART. Besturen van maatschappelijke organisaties willen heus wel vrouwen in hun midden opnemen. Maar het moeten er niet te veel worden, vinden de mannelijke bestuurders. “Twee of drie vrouwen”, dat lijkt hun mooi. Als “het toefje slagroom op de taart”.

Dit staat te lezen in het onderzoeksrapport 'Bestuurders (v/m) gevraagd', dat gisteren, aan de vooravond van de Internationale Vrouwendag, door de vakgroep Vrouwenstudies van de Rijksuniversiteit Leiden werd gepresenteerd.

De mannelijke bestuurders lijden aan het misverstand, aldus de onderzoeksters, dat vrouwen uit onzekerheid niet aan het besturen durven deel te nemen en dat ze er geen tijd voor hebben. Dit beeld strookt volgens de vakgroep niet met de werkelijkheid. Argumenten als onzekerheid en tijdgebrek behoren tot het rijk der stereotyperingen over vrouwen.

Er is, blijkens het Leidse onderzoek, wel iets anders aan de hand: vrouwen hebben dikwijls helemaal geen zin in een bestuurdersbaantje. Zij hebben het (voor)oordeel dat besturen saai is, minder effectief, niet zo creatief. Volgens onderzoekster W. Portegijs zien vrouwen er ook tegenop in overwegend mannelijke besturen te gaan zitten, met als argument: “Ik heb thuis al een man.”

Haar collega T. Nederland denkt dat er iets mis is met het beeld dat van een bestuurder bestaat. Die is, volgens de heersende opvatting, “een man met zitvlees en geduld voor eindeloos saaie vergaderingen”. Besturen is 'mannelijk' en zo lang dit vooroordeel voortbestaat, zal er van een evenredige vertegenwoordiging van vrouwen in maatschappelijke organisaties niet veel terecht komen.

Het resultaat is ernaar. Slechts iets meer dan twintig procent van de bestuursleden van maatschappelijke organisaties is vrouw. Dat is geen aandeel om genoegen mee te nemen, vindt de interdepartementale projectgroep 'Vrouwen in besluitvorming', die gisteren haar eindadvies aan de coördinerend minister voor emancipatiebeleid, A. Melkert, aanbood. Evenredigheid in de besturen - dus de helft van alle baantjes voor vrouwen - lijkt de projectgroep op korte termijn nog te hoog gegrepen. Het streven moet erop gericht zijn in het jaar 2000 30 à 35 procent te bereiken.

De overheid kan hierbij een stimulerende en een faciliterende rol spelen en bovendien het goede voorbeeld geven, aldus dit advies. De overheid moet met maatschappelijke organisaties afspraken maken om het aandeel van vrouwen in de besluitvorming te verhogen. Die afspraken moeten gaan over aantallen en een 'tijdpad' om de afgesproken doelstelling te bereiken.

De projectgroep werd precies drie jaar geleden door de toenmalige staatssecretaris E. ter Veld ingesteld. Onder leiding van voorzitster S. de Jong, burgemeester van Leek, sloot de projectgroep gisteren haar werkzaamheden af, met een bijeenkomst in Den Haag.

Twee ministers, Melkert (Sociale Zaken en Werkgelegenheid) en Wijers (Economische Zaken), lieten hier blijken dat de aanbevelingen van de projectgroep bij hen in goede aarde vielen. Zij beginnen nog voor de zomer met een campagne om meer vrouwen in managementsfuncties te krijgen, naar het voorbeeld van Groot-Brittannië, waar een soortgelijk project onder de naam 'Opportunity 2000' is opgezet.

De bedoeling is in Nederland een netwerk van bedrijven op te zetten, zo blijkt uit de emancipatienota van het ministerie van Economische Zaken, dat openlijk en actief beleid voert ter verbetering van de positie van vrouwen in zijn bedrijven. Een professionele organisatie zal de Nederlandse campagne Opportunity 2000 uitvoeren, begeleid door een stuurgroep die bestaat uit personen met een topfunctie in het bedrijfsleven.

Minister Melkert wees erop dat het streven om meer vrouwen op belangrijke posten te krijgen niet louter van sociale of ideële betekenis is. “Het is ook een economisch belang. Aan bijna de helft van het talent in de maatschappij wordt nu voorbij gegaan. Niemand maakt mij wijs dat dit in economisch opzicht een verstandige keuze is.”

Als het gaat om maatschappelijke functies denkt minister Wijers - net als de interdepartementale projectgroep - dat het Bureau Toplink een belangrijke rol kan spelen. Toplink heeft als doelstelling dat er meer vrouwen op maatschappelijke posten komen. Het bureau heeft een bestand opgebouwd van 600 gekwalificeerde, vrouwelijke kandidaten die niet voorkomen in - what's in a name - het zogenoemde old boys network. Melkert zei dat Toplink van dienst kan zijn voor de diverse ministers die vrijwel allen op het punt staan nieuwe adviesraden te benoemen.

Veel meer moet de overheid niet doen, vind S. Tóth. Deze voormalige zakenvrouw van het jaar is directievoorzitter van de uitzendorganisatie Content en bestuurslid van een mannenbolwerk bij uitstek: de KNVB - om maar een van haar nevenfuncties te noemen. “Vrouwen moeten goed zichtbaar zijn”, hield zij de aanwezigen voor die op de slotbijeenkomst van de projectgroep waren afgekomen. “Ze moeten zoeken naar contacten die op hun vak zijn gericht. Je moet jezelf blijven. Als je een natuurlijk overwicht en innerlijke rust uitstraalt, word je vanzelf geaccepteerd. Wees niet bang om je te profileren. Doe je mond open.”

Dit was tegen het publiek - dat hoofdzakelijk bestond uit vrouwelijke bestuurders - niet aan dovenmensoren gezegd. Tóth gaf toe dat haar aanbevelingen een zeker eigen belang behartigden. In de mannengezelschappen waarin zij vaak vertoeft is ze “nooit gediscrimineerd”. Maar toch. “Als enige vrouw tussen al die mannen voel je je soms een vergissing van de natuur.”