Vraatzuchtige bouwsels; Claes Oldenburgs dictatuur van het banale

Een ijsje kan het koud hebben, een klarinet kan ontmoedigd zijn, een harp vermoeid. In de wereld van de Amerikaanse beeldhouwer Claes Oldenburg is het voorwerp aan de macht. In Bonn is een overzichtstentoonstelling van Oldenburg te zien. Zijn monumenten, kolossaal uitvergrote gebruiksvoorwerpen, zijn geen hommage aan heldendaden, maar aan het dagelijks leven.

Claes Oldenburg. Kunst- und Ausstellungshalle, Friedrich-Ebert-Allee 4, Bonn. T/m 11 mei. Catalogus, waarin alle werken van Oldenburg zijn beschreven en afgebeeld, 590 blz. ƒ 89,10.

De illusiewerking van taferelen geschilderd op klein formaat kan heel groot zijn. Het is alsof de beschouwer door een sleutelgat een andere wereld in kijkt. In de achttiende eeuw was de truc van de optische schaalverkleining bijzonder populair; landhuizen en paleizen, uitgerust met een virtuoze rococo-ornamentiek, zaten vol met trompe l'oeil-effecten. Een paneel van een deur, een console, zelfs een schelpornament kan nog plaatsbieden aan fluitspelende herders en dansende nimfen in een idyllisch landschap. Er gaat een betoverende werking uit van deze illusionistische schilderingen. De ruimte wordt vergroot, de architectuur wordt door al die doorkijkjes complex en efemeer. Soms is een geschilderd panorama nauwelijks van een echt uitzicht te onderscheiden. Alles doet aan dit spel van de zinsbegoocheling mee. Het schelpvormige ornament dat op het ene moment zich nog voordeed als een omlijsting, is op het volgende moment een schuimende golf of een flakkerende vlam.

De Amerikaanse beeldhouwer Claes Oldenburg (1929) beoogt met zijn kolossaal uitvergrote gebruiksvoorwerpen precies het tegenovergestelde. In Nederland is dit te ondergaan in het beeldenbos bij museum Kröller-Müller. Oldenburg plaatste hier (1976) een twaalf meter hoge troffel van staal, beschilderd met een hardblauwe lak. De rechtopstaande schep steekt met de punt in de grond. De reuzentroffel verandert de statige beuken en eiken in kleine boompjes, en doet de grote rododendronstruiken verschrompelen tot nietige polletjes. De 'monumenten' van Oldenburg, zoals hij ze noemt, attaqueren de omgeving, ze verkleinen de ruimte. Bij voorkeur zet hij ze neer in een bebouwde omgeving of in een stadsplantsoen, met de natuur heeft hij geen relatie. 'Misschien ben ik wel een schilder van stillevens die de stad als linnen gebruikt', zei hij ooit.

Wasknijper

In de stad vormen zijn beelden een uitdaging aan de architectuur. Een stalen wasknijper van veertien meter hoog (in Philadelphia) bagatelliseert de wolkenkrabbers er omheen. Een zwarte betonnen verrekijker van ook bijna veertien meter hoog heeft zich gewrongen tussen twee bankgebouwen en torent er net bovenuit (in Venice, Californië). Oldenburg omschrijft zijn werk als 'een persoonlijke architectuur, gebaseerd op bestaande vormen'. De term architectuur gebruikt hij hier wel heel vrij. Want zijn constructies scheppen geen ruimte, ze nemen alleen ruimte in beslag; vraatzuchtige bouwsels zijn het, die de hele omgeving consumeren.

Oldenburg zoekt zijn inspiratie in het dagelijkse leven in de grote stad. Ook in dit opzicht is zijn spel met schaal en met optisch effect de precieze omkering van het achttiende-eeuwse illusionisme, want van dromerige visoenen en romantische landschappen moet hij niets hebben. De materialist Oldenburg is alleen geïnteresseerd in het concrete object en in de zintuiglijke gewaarwording. Hij wil dat zijn kunst herinnert aan praktische bezigheden. Twee meisjes lopen op een gazon onder een huizenhoge tuinslang door, een man pauzeert even in de schaduw van een badminton-shuttle: de figuren dienen als illustratie van de beelden, ze maken de bovenmenselijke afmetingen van de objecten zichtbaar. In de wereld van Oldenburg is het voorwerp aan de macht, en de mens is er aan ondergeschikt.

In de Kunst- und Ausstellingshalle in Bonn is een grote overzichtstentoonstelling van Oldenburg te zien. De expositie reisde eerder door Amerika, en gaat na Bonn nog naar Londen. Tekeningen, modellen, kleinere beelden, het Mouse Museum, videofilmpjes: allerlei materiaal van de vroege jaren zestig tot heden is bijeengebracht. De catalogus bevat een complete anthologie van zijn Oldenburg, die geldt als één van de belangrijkste Amerikaanse Pop Art-kunstenaars.

Die merkwaardige, omgekeerde verhouding tussen mens en ding speelt al in het vroegste werk van Oldenburg een rol. In zijn performances aan het begin van de jaren zestig kwamen dingen tot leven, en traden mensen op als willoze poppen. Uit de 'props' voor deze performances ontstonden de eerste zogenaamde 'zachte sculpturen' gemaakt van canvas opgevuld met schuimrubber. De zachte sculpturen zijn de tegenpool van de grote beelden met hun harde, onaantastbare, industriële uiterlijk. Sommige voorwerpen komen in beide gedaanten voor, zacht en monumentaal, zoals de wasknijper en een driewegstekker.

Zacht

Oldenburg vervaardigt nog steeds zachte sculpturen, bijvoorbeeld recentelijk een reeks muziekinstrumenten. De eerste zachte beelden waren uitvergrote taartjes en hamburgers, door Oldenburg 'anti-basis objecten' genoemd: 'Je kunt er van alles mee doen, ze aan de muur hangen, op de vloer kwakken - kortom, ze reageren op het leven om hen heen.' De zachte voorwerpen dijen uit, krimpen in, hebben lichaamsholtes, bezitten sex appeal, en geen enkele emotie is hen vreemd. Een ijsje kan het koud hebben, een klarinet kan ontmoedigd zijn, een harp vermoeid. En dezelfde, lichtgekromde klarinet kan in de voorstellingswereld van Oldenburg evengoed functioneren als een brug over een rivier.

In de coulissen van dit theater der gebruiksvoorwerpen staat natuurlijk Marcel Duchamp. Duchamp werd einde jaren vijftig in Amerika herontdekt door kunstenaars als John Cage, Merce Cunningham en Robert Rauschenberg. In navolging van de meester van de ready made verklaarden zij de gewone werkelijkheid tot kunst. De methode van Oldenburg doet sterk denken aan die van Duchamp: hij kiest een object dat hij, soms in wisselende gedaante, als kunstwerk laat optreden. De verwisseling van lichaam en object, de erotische bezieling van de dingen, ook dit kennen we van Duchamp (zoals in diens magnum opus The Large Glass).

Tegelijkertijd paste de hommage aan het gebruiksvoorwerp in de Pop Art-periode van groeiende welvaart en consumptie. Oldenburg wilde dat zijn grote sculpturen een monument zouden zijn voor het moderne Amerikaanse levensgevoel. Hij realiseert zich dat het optimisme van de jaren zestig lang achter ons ligt, en dat we tegenwoordig eerder te maken hebben met de keerzijde van de kapitalistische economie, met overconsumptie en alle schadelijke gevolgen van dien. Mede door de inbreng van zijn echtgenote, de nederlandse kunsthistorica Coosje van Bruggen, die sinds ongeveer vijftien jaar nauw betrokken is bij ontwerp en uitvoering van de grootschalige projecten, is de zorgeloze vrolijkheid langzamerhand uit Oldenburgs werk verdwenen. De grote beelden zijn niet meer zo onaantastbaar als voorheen. Een gebroken knoop van circa vijf meter doorsnee, een afgebrande lucifer van bijna zeven meter lang, of een 'Kapot gevallen kom met rondgestrooide sinaasappelpartjes en -schillen' (doorsnede van het geheel circa 30 meter, compleet met fontein, in een park in Miami) symboliseren de kwetsbaarheid van de dingen en de vergankelijkheid van het bestaan.

Oldenburg, die wars is van verheven idealen en van utopisch denken, streefde met zijn beeldhouwkunst een 'verhuiselijking', domestication, van de traditie van het monument na. Zijn monumenten zijn geen hommage aan heldendaden, maar aan het dagelijks leven. Dat is op zichzelf sympathiek. Alleen, een torenhoge wasknijper, tuinkraan of zaklantaarn is even dwingend aanwezig als een kolossaal beeld van Jezus of Lenin. Bij Oldenburgs monumenten gaat het weliswaar niet om de dictatuur van de religie of van een politiek leider, maar om een ander soort dictatuur, die van het banale. Alsof er niets méér is dan troffels en wasknijpers. Een brug over de Rijn bij Düsseldorf in de vorm van een gekartelde zaag is even leuk, als verrassingseffect, maar daarna is het toch vooral een irritant ding, dat het landschap banaliseert, het reduceert tot een kinderachtig tafereeltje. Op het plein voor het museum in Bonn staat nu een wereldbol van Oldenburg. De bol is bedekt met stoelen, tafels, ladders en strijkplanken. Een benauwende wereld.