Voor den verstokten Desperado Is dit, is dit het Eldorado; J. Slauerhoff en het paradijs

De mythe van Eldorado is niets anders dan een onvoorwaardelijk vertrouwen in een sprookje dat de indianen Columbus en zijn navolgers vertelden. Er is in Nederland een schrijver en dichter die dat heeft begrepen. Dat is J. Slauerhoff, die in 1928 de dichtbundel Eldorado publiceerde. “Elk van de lange gedichten gaat onomwonden over de dood.”

V.S. Naipaul: The Loss of Eldorado. Uitg. Penguin. Prijs ƒ 29,95. Robert Lemm: Eldorado. Uitg. De Arbeiderspers. Prijs ƒ 29,90. Carlos Fuentes: De twee Amerika's. In: Het groot Meulenhoff Zuid-Amerika leesboek. Uitg. Meulenhoff. ƒ 39,90; met cd met Latijns-Amerikaanse muziek ƒ 59,90.

Het is allemaal de schuld van de horizon. Of de kim, de gezichtseinder, de plaats waar het hemelgewelf zijn laagste punt bereikt en tastbaar lijkt. Die schijnbare, steeds wijkende - wenkende? - grenslijn tussen hemel en aarde of hemel en zee. De horizon vraagt erom achterna gejaagd en doorbroken te worden. Voor sommigen heerst daar het niets, de onderwereld. Voor de meesten echter houdt zich achter de horizon het paradijs schuil. Een wereld achter de wereld.

Het is ook de schuld van geld en goudkoorts, van de drang naar roem en rijkdom. Een wereld ontdekken betekende eens, eeuwen terug, macht en aanzien. De ontdekker waande zich koning of tenminste onderkoning van het nieuwe rijk. Elk terra incognita bood de illusie het aardse paradijs te zijn. In Genesis 2 stond immers dat God 'een hof geplant (had) in Eden, tegen het oosten'. Deze hof is de lusttuin, de hof van Eden. Niet alleen groeien daar de boom des levens en de boom der kennis van goed en kwaad, ook stroomt er een rivier die zich splitst in vier armen. De eerste arm is de Pison die de landstreek bevloeit 'waar het goud is'.

Goud! Genesis, het eerste boek van het Oude Testament, is koud 32 verzen op dreef of de gelovigen krijgen de droom voorgespiegeld van een oord vol weelde en verguldsel in het oosten. Maar het goud en het paradijs zijn beide te vinden voorbij de horizon. Zo hebben de horizon en Genesis er schuld aan dat de mens leeft in een visioen van een land van belofte.

Geen wonder dat de eerste grote Spaanse en Portugese ontdekkingsreizigers in de vijftiende eeuw hun heil oostwaarts zochten. In die richting moest het goudland liggen, het rijk van China en Japan. De vraag was alleen: 'Waar?'

De ontdekkingsreiziger Christophorus Columbus stelde zijn Spaanse opdrachtgevers scheepsladingen goud in het verschiet, mits hij niet de oostelijke maar de westelijke vaart koos. Op 3 augustus 1492 zeilde hij met een eskader van drie karvelen over de Canarische eilanden aldoor westwaarts. Dat was de eerste van zijn vier reizen. Columbus tuimelde niet voorbij de horizon omlaag, want hij had zich ervan vergewist dat de wereld rond is; China en Japan bereiken deed hij evenmin. Hij stuitte onvoorzien op een massief continent; ervoor een snoer van eilanden, geworpen in het blauw van de oceaan, de Caraïbische Eilanden.

Later, op zijn derde reis, noemde Columbus een van die eilanden Trinidad, naar de Heilige Drieëenheid. Onmiskenbaar, hier strekte zich het paradijs uit, het goudland. Het was 1498. De brief die de ontdekker van de Nieuwe Wereld in dat jaar schreef aan de Spaanse koning en koningin is de eerste getuigenis van een vervulde droom: de bijbelse hof van Eden bestaat: 'De Heilige Schrift bewijst dat Onze Lieve Heer het Aards Paradijs heeft gemaakt, en daarin de boom des levens heeft geplant. (-) Maar nooit heb ik bij de Grieken of Romeinen beschreven gevonden waar zich het Aards Paradijs bevindt. Sommigen situeren het bij de bronnen van de Nijl in Ethiopië; anderen hebben de hele wereld afgezocht, maar nergens troffen zij de milde luchtstreek en de hemelwaartse hoogte die men zich bij het paradijs - de plaats waar de wateren van de zondvloed niet konden komen - voorstelt. (-) Ik geloof dat dit land, dat Uwe Hoogheden hebben laten ontdekken, onafzienbaar is en dat er in het Zuiden nog veel meer land is waarvan men nooit heeft gehoord. Ik denk niet dat het Aards Paradijs de vorm heeft van een ruwe berg, zoals men tot op heden heeft aangenomen, maar veeleer die van de tepel van een peer.' (Vert. Robert Lemm) Elders bericht hij dat het paradijs is als 'de tepel van een ronde vrouwenborst'.

Er blonk inderdaad goud in dat paradijs: Columbus werd begroet door jongemannen, toegerust met pijl en boog, die stukjes goud om hun hals droegen en parelsnoeren om hun armen. Zo zou het ontdekkingsreis na ontdekkingsreis gaan: de mannen uit de Oude Wereld troffen, na maandenlange omzwervingen op zee, aan de zandstranden in een lenteachtig klimaat lieden versierd met goud. Die kleinoden ruilden ze tegen spiegeltjes, bellen en kralen. Het land was overvloedig. Het paradijs op aarde bleek geen zinsbegoocheling of illusie.

Muskieten

De zeelieden zochten naar Eldorado zonder dat die naam de legendarische roep had die hij later zou krijgen. Dat ze niet meer dan een oude Indiaanse mythe najoegen die voor velen de ondergang betekende, konden ze niet weten. Op Columbus' vraag waar het goud vandaan kwam, wezen ze naar de kust van het tegenoverliggende land, het vasteland van Zuid-Amerika, waarvan niemand in die tijd wist welke omvang het had, hoe diep zuidwaarts en hoe ver noordwaarts het strekte. Evenmin had men er enig besef van welk levensgevaarlijk oerwoud vol krokodillen, jaguars en muskieten ginds begon.

Over dat land deden de wildste geruchten de ronde, even ongeloofwaardig als waarheidsgetrouw. De inboorlingen met hun gouden versierselen bewezen het laatste. In de binnenlanden waar nu Venezuela en Colombia liggen, in het stroomgebied van de rivieren de Amazone en de Orinoco, zou zich een koninkrijk van weelde bevinden. Tempels met goud en smaragd versierd. Vrouwen waren er gewillig. Eens in de zoveel tijd, andere bronnen spreken van dagelijks, liet de koning zich volgens een ritueel bedekken met een laagje stofgoud, waarna hij offers bracht aan de goden. Vervolgens spoelde hij zijn kostbare gouden harnas af in het water van een meer, het meer van Parima. Wanneer hij, het evenbeeld van de zonnegod, schoongespoeld uit het water verrees brachten zijn onderdanen hem hulde door gouden voorwerpen in het meer te gooien.

Die man is de vergulde, 'el dorado'. Het goudland waarover hij koning was, heette 'El Dorado'. Steeds legendarischer en mythischer werd dat land, tot het kortweg 'eldorado' werd genoemd.

'Waar is al dat goud dan te vinden?' vroegen de Westeuropese gelukzoekers decennium na decennium. 'Waar zijn de goudmijnen, waar is het meer van Parima, waar is het koninkrijk van de vergulde man?'

'Daar verderop, een dagmars, aan de overkant van het water, aan de andere oever van de rivier, daar waar een hoge berg is,' luidde onveranderlijk het antwoord.

Valstrik

De inwoners van de Nieuwe Wereld hadden de grootst denkbare valstrik gespannen: hun westerse veroveraars laten geloven in een sprookje, een uit woorden bestaande begoocheling van goud en vrouwen. De mythe van eldorado is niets anders dan een onvoorwaardelijk en blind vertrouwen in fictie. Niemand die het ooit vond.

Eldorado werd een verhaal in een verhaal, dat weer gebed werd in een nieuw, nog aanlokkelijker verteld verhaal. Hoe onwaarschijnlijk al deze verhalen ook klonken, hoe hoger de gouden en kristallen bergen boven het oerwoud verrezen, de Westeuropeanen geloofden erin. Nu, terugkijkend en de bronnen raadplegend, zoals de boeken The Loss of El Dorado van V.S. Naipaul of Eldorado van Robert Lemm doen, klinkt het als een onnavolgbare goocheltruc van de Zuidamerikaanse Indianen die hun veroveraars telkens opnieuw op een dwaalspoor brachten.

De gelukzoekers bleven hun illusie najagen; de een liet het meer van Parima uitbaggeren om niets dan slijk te vinden, een ander stuitte op de niet bestaande Bronnen van de Eeuwige Jeugd, een derde baande zich met zijn gewapende manschappen een weg door de jungle, tot die aan het muiten sloegen vanwege de nabije hongerdood.

Eens had Columbus zich tegen de kannibalen van het Caraïbische eilandenrijk, de 'cariben', te weer moeten stellen, nog geen halve eeuw later veranderden de in het oerwoud verdoolde, uitgehongerde Spanjaarden zelf in menseneters. Ook Columbus moest zijn droom duur bekopen. Hij stierf eenzaam en berooid, door iedereen gewantrouwd want goudmijnen had hij niet ontsloten. Hij werd geen onderkoning van het nieuwe rijk, zoals de koning van Spanje hem had toegezegd en admiraal over de oceanen was hij bij zijn dood allang niet meer. In het oosten was hij nooit geweest.

Ondanks dat het zoeken naar eldorado aan tienduizenden fortuinjagers uit de Oude Wereld het leven heeft gekost, ondanks dat al spoedig na Columbus' ontdekking van dit gedeelte van Latijns Amerika de slavernij begon te bloeien, heet het ginds nog steeds eldorado.

Het is met de schrijvers uit Midden- en Zuid-Amerika anders gesteld dan met hun verre voorouders van vier eeuwen terug, de indianen die de Europeanen feestelijke verzinsels opdisten. Zij zijn zich bewust van de zwarte kanten van hun landen, waar bloedige revoluties plaatsvinden, waar dictators het voor het zeggen hebben, waar macht en bloedvergieten heersen, slopende armoede is, corruptie. De oude indianenstammen zijn er vertrapt. Zelfs de meestgelezen kroniek uit Latijns-Amerika, Honderd jaar eenzaamheid van de Columbiaanse schrijver Gabriel García Márquez, gaat uiteindelijk over de apocalyptische ondergang van de stad Macondo. Evenals eldorado is deze op het moeras veroverde stad een utopie gebleken. Het groene huis van Mario Vargas Llosa is doortrokken van triestheid, geweld en wreedheid. Gaat de beklemmende roman De oude gringo van Carlos Fuentes niet uitsluitend over doodsverlangen? Gaat zijn novelle Aura niet alleen over dat bitter-zoete samenspel van verliefdheid en de dood, die daar onherroepelijk op moet volgen? Schreef Juan Carlos Onetti met De put niet een desolaat boek, gelijkwaardig aan Céline's Reis naar het einde van de nacht? En, tot slot, Rayuela - een hinkelspel van Julio Cortázar: geen ander boek gaat zo over het verlangen dat wat ooit mooi, liefdevol en gepassioneerd was tussen gelieven terug moet keren: 'het verloren paradijs dat iedereen op de een of andere manier zoekt'. Eigenlijk is eldorado een ander woord voor de dood door illusie. De vergulde man uit het binnenste van Zuid-Amerika is slechts in fabels een zonnegod. In werkelijkheid is hij de man die regeert over het dodenrijk.

Verspeeld geluk

Er is in Nederland een schrijver en dichter die dat heeft begrepen. Dat is J. Slauerhoff. In zijn gedichtenbundel Eldorado uit 1928 vinden we niets terug van het idee dat eldorado het eiland der gelukzaligen zou zijn; piraten, vreemdelingen, bannelingen, outcasts bevolken deze poëzie. Allen voortgedreven door het verlangen de horizon achterna te jagen, een verspeeld geluk terug te roepen en gedoemd om niets dan teleurstelling te vinden. Slauerhoff heeft zelfs niet de moeite genomen de lezer ook het paradijselijke beeld van eldorado voor te houden, en als dat een enkele keer wel gebeurt dan breekt een intense wrangheid door de regels heen. Elk van de lange gedichten gaat onomwonden over de dood. Het eerste gedicht heet 'De piraat', een man die gejaagd door zelfvernietiging de oceanen afschuimt. Over hem heet het: Als de vervloektvereeuwigde zijn toorn - Gekneveld tusschen Stormkaap en Kaap Hoorn - Eindlijk bevrijdt en zegevierend strijdt Met dood verbonden tegen de Eeuwigheid.

Een paar gedichten verderop verhaalt Slauerhoff over een reiziger die, al heeft hij ooit het eilandenrijk dat Eldorado heet betreden, naar niets anders verlangt dan naar de dood: Ieder Eldorado werd toegankelijk: Eilanden in steile klippenkreis Bloeiend als een scherf van 't paradijs (-) Altijd liever vond hij onderkomen Bij zachtmoedige, rampspoedige rassen, Naar randen van de aard geweken (-) Daar hoopte hij zijn dood Over zwarte waatren te zien komen.'

In de tijd dat de bundel verscheen hield men haar voor demonisch. Slauerhoff wist beter dan wie ook wat het betekent ten prooi te vallen aan een onstilbaar groot verlangen, aan heimwee naar verre, onbekende oorden. Het is macabere, weergaloze poëzie, zonder een enkele klank van triomf. Eldorado betekent ook droomland, maar het gedicht 'Droomland' dat Slauerhoff opnam, een vrije vertaling van Edgar Allen Poe's 'Dreamland', neemt ons mee naar een wereld waar 'Desperado' rijmt op 'Eldorado'. Want: Voor 't hart welks smarten zijn onnoemlijk Is dit oord troostvol, niet verdoemlijk, Voor den verstokten Desperado Is dit, is dit het Eldorado. Maar de reiziger door den dood Ziet het nooit open en ontbloot; (-) Door kwade engelen verzocht, Door kwade engelen weggebracht Uit het gebied van den God Nacht, Ben ik door verwarde dromen Tot Thule teruggekomen.

Eldorado wordt hier zonder moeite het dodeneiland Thule, het koude, onherbergzame eiland dat in de klassieke oudheid niet oostelijk maar noordelijk werd gedacht. Ergens ter hoogte van de Shetland eilanden, of nog hoger: IJsland. Ultima Thule: zo noordelijk, alleen nog een woestenij van ijs en kou. Verder weg kan iemand van de lente-eilanden in de Caraïbische zee niet verdoold raken.

De ziekte die in Columbus' tijd goudkoorts heette of paradijselijk verlangen werd velen toen al noodlottig. Columbus en zijn zeelieden lieten zich leiden door een gerucht en beleefden de extase toen ze, eenmaal aangeland in Trinidad, dachten in het Paradijs te zijn. De Mexicaan Carlos Fuentes schreef in de novelle 'De twee Amerika's' over de ervaringen van de ontdekker: 'Nu leef ik in het Paradijs. Voor hoelang? Soms denk ik aan mijn familie, aan mijn verstrooide volk. Heb ik ook in deze nieuwe wereld familie, vrouw, nakomelingen? Het is mogelijk. Leven in het paradijs is leven zonder consequenties. De emoties sijpelen door mijn huid en mijn geheugen als water door een filter. Wat overblijft is meer een gevoel dan een herinnering. Het is of de tijd heeft stilgestaan tussen mijn aankomst in deze streken en mijn vreedzame verblijf in het witte huis met de sinaasappelbomen. (-) We hebben onze huizen, onze landerijen, maar niet onze herinneringen achtergelaten. Maar ondanks je wreedheid hebben we je lief, Spanje, en worden we beheerst door het verlangen naar jou terug te keren. Op een dag zul je je dolende kinderen met open armen ontvangen, zul je om vergiffenis vragen zul je trouw aan jouw grond erkennen. We zullen terugkeren naar onze huizen. Dit is de sleutel. Dit is het gebed.' (Vert. Arie van der Wal)

Slauerhoff leed aan onstilbaar, rusteloos makend heimwee; het gouden eiland liet hem koud, geef hem maar het dodeneiland. Columbus, ver van Spanje levend in het paradijs, richt zich in een gebed tot God om terug te mogen keren. De pijn om het verloren verleden is sterker dan de in vervulling gegane droom.

Misschien is het niet goed telkens door de horizon te willen breken om het paradijs te vinden, en al helemaal niet om te willen wonen in het paradijs. Eldorado bestaat niet. Maar zonder de illusie van eldorado bestonden onze dromen niet. We kunnen eldorado niet missen.