'Raad voor Cultuur zit niet in ivoren toren'

Sinds 22 november vervangt de Raad voor Cultuur de vier adviesraden van het ministerie van OCW. De omvang is een vijfde van de vier voorgaande raden. “De leden moeten voldoen aan het punaisemodel van Nuis”, zegt voorzitter Jan Jessurun.

DEN HAAG, 8 MAART. “Ik had liever gehad dat de nieuwe Raad voor Cultuur er een half jaar eerder was geweest, want nu beginnen we in grote tijdnood,” zegt voorzitter Jan Jessurun. Over ruim twee maanden moet al het advies klaar zijn voor de Cultuurnota met het nieuwe Kunstenplan, dat staatssecretaris Nuis op Prinsjesdag presenteert. Daarin komt te staan welke kunstinstellingen de komende vier jaar subsidie krijgen en hoeveel. De Raad voor Cultuur moet daartoe zo'n 500 beleidsplannen en budget-ramingen van festivals, operagezelschappen, orkesten en muziekensembles, dans- en theatergroepen , bibliotheken, archieven, monumenten-organisaties en instellingen voor archeologie beoordelen en er een advies over opstellen.

De Raad voor Cultuur bestaat sinds 22 november vorig jaar als een samenvoeging van vier adviesraden van het ministerie van OCW. Het is de eerste concretisering van het streven fors te snoeien in de Haagse advies- en commissiecultuur. Daarmee kwam een eind aan de Raad voor de Kunst, de Raad van advies voor bibliotheekwezen en informatievoorziening, de Mediaraad en de Raad voor het Cultuurbeheer, die samen zo'n 300 kroon- en commissieleden telden.

De nieuwe Raad voor Cultuur, die ook ongevraagde adviezen kan geven, heeft nog maar een vijfde van die omvang: 24 leden, een voorzitter en nog 35 commissieleden. Van de laatsten zijn tot 1 juli de meesten nog afkomstig uit de oude raden, zodat er in de behandeling van de beleidsplannen toch ook continuïteit zit. Naast meer efficiency is het de bedoeling te komen tot betere afwegingen van adviezen, met meer onderlinge samenhang. Jessurun: “Vroeger werkten de raden onafhankelijk van elkaar, zodat het mogelijk was te bepleiten de podiumkunsten te bevorderen ten nadele van de monumentenzorg.”

Terwijl de Raad voor Cultuur al in december begon te functioneren in het statige gebouw van de voormalige Raad voor de Kunst, werden de 24 leden pas half februari officieel benoemd. Jessurun: “Het uitgangspunt was dat de leden in staat en bereid moeten zijn integraal te denken, niet alleen op één terrein maar over de hele cultuur. Ze moesten voldoen aan wat staatssecretaris Nuis noemt 'het punaise-model': naast een diepgaande specifieke deskundigheid, ook ten minste twee andere terreinen beheersen. Andere criteria waren dat de leden geen groepsbelang vertegenwoordigen, een evenwichtige regionale spreiding, een man-vrouwverhouding van 50-50, die 60-40 is geworden.”

De behandeling van de 500 beleidsplannen krijgt de hoogste voorrang van Jessurun, het antwoord op een aantal algemenere vragen zal Nuis pas later krijgen. “Voor kerstmis hebben we al een keer vergaderd met 23 van de beoogde 25 leden. De Raad moet nog wennen aan integraal denken, maar na twee vergaderingen en een denkdag lijkt zich dat al goed te ontwikkelen. Het is een aardige Raad, veel kennis, enthousiasme, openstaand voor opvattingen buiten hun eigen terrein.

“We zitten niet in een ivoren toren. Dat betekent dat we, alvorens definitief advies uit te brengen, een openbare zitting houden om meningen te horen. Maar ook om aan iedereen die daarin is geïnteresseerd onze manier van denken uiteen te zetten. Wat wij ongaarne op ons brood zouden krijgen is, dat we hier achter de muren snode plannen uitbroeden. Deze raad heeft niets van doen met het idee van 'Rijkskunstmeesters', zoals minister d'Ancona dat had. We moeten ons wel uitlaten over de kwaliteit, maar we geven geen rijkskeurmerk. Wij hebben geen elitaire pretenties.”

Jan Jessurun (61) is afkomstig van het voormalige ministerie van WVC. Hij was plaatsvervangend secretaris-generaal en voordien, van 1985 tot 1992 hoofddirecteur Cultuurbeheer en plaatsvervangend directeur-generaal Cultuur. Ook Atzo Nicolaï, de secretaris van de Raad voor Cultuur, was vroeger enige tijd werkzaam op WVC. Jessurun vindt dat er voor moet worden gewaakt dat de gedachte kan ontstaan dat het ministerie van OCW en de adviesraad twee handen op één buik zijn. Hij acht Nicolaï en zichzelf onafhankelijk.

“Ik heb in het bedrijfsleven gezeten en heb vier jaar geleden al de cultuurafdeling van WVC verlaten. Ik stond er niet om bekend dat ik iedereen naar de mond praatte. In verschillende politiek en ambtelijk controversiële zaken heb ik mijn zin gekregen: het succesvolle restauratiefonds, de oprichting van het Nederlands Architectuurinstituut in Rotterdam, de verzelfstandiging van de rijksmusea.”

Nuis liet voor het inwerkingtreden van de Raad voor Cultuur weten dat de positie van het adviesorgaan ten opzichte van belangenverenigingen, politiek en departement duidelijk moet zijn vastgelegd: 'onafhankelijk, maar wel coöperatief'. Jessurun: “Onafhankelijk, daar ben ik het mee eens. Het woord coöperatief zou ik in dit verband niet hebben gebruikt. Maar dat betekent ook niet het omgekeerde. Als Nuis bedoelt dat de Raad moet trachten zich positief in te leven in het door de bewindslieden in het algemeen voorgestane beleid, dan zeg ik ja.

“We moeten niet bij voorbaat en per definitie de kont tegen de krib gooien. Maar het belang van de cultuur kan wel iets anders uitwijzen dan wat de staatssecretaris wil. Dus als wij echt denken dat dingen pertinent verkeerd gaan, zullen wij de staatssecretaris dat ontraden. Als hij op goede gronden bepaalde keuzes doet, die niet het predikaat echt verkeerd of slecht verdienen, staat het de staatssecretaris of minister vrij accenten te leggen. Als dat niet het geval was, had je geen bewindspersoon nodig. We erkennen het primaat van de politiek.”

Naast de meer integrale afweging van adviezen op verschillende deelterreinen, is er voor de nieuwe Raad nog een nieuwe dimensie, omdat cultuur en media in 1994 door het paarse kabinet zijn samengebracht met onderwijs en wetenschappen in het ministerie van OCW. Jessurun denkt dat dat een verbetering kan betekenen. “Maar de integratie van het cultuurbeleid in het functioneren van OCW is nog lang niet voltooid, nog afgezien van fysieke en organisatorische problemen. Als Raad voor Cultuur moeten we daarop de nadruk leggen. In samenwerking met de Onderwijsraad moeten we denken over het kunstvakonderwijs maar nog meer over de cultuureducatie.

“Slechts weinigen worden in de wieg gelegd met een grote belangstelling voor cultuur, anderen krijgen het van huis uit mee, maar er blijven grote categorieën mensen over die via het onderwijs moeten leren van cultuur te houden. Op het gebied van kunstzinnige vorming is wel iets verbeterd, maar onvoldoende. Ik vind dat er te laat iets aan gedaan wordt en dat het, als het al gebeurt, onvolkomen gebeurt. Als we terechtkomen in een maatschappij van uitsluitend boekhouders, zijn we erg beperkt bezig.”

Een nog veel groter belang hecht Jessurun aan de problemen van de multi-culturele gemeenschap, die Nederland in snel tempo is geworden. De kwestie is ook door Nuis aan de orde gesteld in zijn discussienota 'Pantser of ruggegraat'. Jessurun: “We mogen niet voorbijgaan aan de verhoudingen tussen importcultuur en de aanwezige cultuur. We moeten kennis en inzicht krijgen in de culturen van onze medeburgers. Nieuwkomers moeten ook zien wat er bij ons te koop is. Je ziet overal wat er gebeurt als culturen zich niet in elkaar verdiepen, maar wel in hetzelfde huis worden geperst: dat eindigt in geestelijke verpaupering, moord en doodslag.

“Het verbaast mij altijd dat we met zijn allen op vakantie gaan omdat we belangstelling hebben voor andere culturen, zoals die van Marokko en Tunesië, maar dat die belangstelling op de laatste vakantiedag weer ophoudt. Als er dan een plan is voor een moskee in de buurt, mag die niet om de hoek komen te staan. Juist wederzijdse culturele belangstelling zou een basis voor de toekomstige samenleving kunnen vormen.”