Pingpongspel in een golvend slakkenhuis; De architectuur-Triënnale van Milaan

De Nederlandse inzending op de negentiende Triënnale in Milaan is als een volmaakte eenheid door een computer ontworpen en ingericht en zelfs door deze computer uit blank hout gezaagd. “Als de grenzen van vloeren, muren en plafonds in een ruimtelijk fluïdum zijn vervlogen, heeft de computer een voorkeur voor reusachtige druppels, kwallen en in elkaar gerolde wormen of, als de opdrachtgever iets hoekigs wil, voor opengeslagen kristallen. Aan deze vormen herkent men de avantgarde.”

Triënnale di Milano. Palazzo dell' Arte, Viale Alemagna 6, Milaan. T/m 9 mei. Het Nederlands paviljoen zal vanaf half augustus te zien zijn in het NAI in Rotterdam. Publicatie: Real Space in Quick Times. Architectuur en digitalisering. Uitg. NAI. Prijs ƒ 55,- incl. cd-rom.

Daphne, de nimf die op de vlucht voor Apollo verandert in een laurierboompje, is de patrones van de stad van de toekomst. Want alleen de natuur kan de stad nog redden, verkondigen de Zweden op de negentiende Triënnale voor architectuur en stedebouw in Milaan. Om hun boodschap kracht bij te zetten laten zij lommerrijke lanen zien, groene parken en bloeiende plantsoenen en ook een foto van het sublieme beeld van Bernini uit 1625, Apollo en Daphne, dat in de Romeinse Villa Borghese staat. Opperwezen Apollo, de god van de wijsheid, van het analyserend verstand en van het technisch vernuft, heeft lang genoeg de stedebouw en architectuur beheerst, vinden de Zweden. Hun nederzetting op de internationale tentoonstelling in het Palazzo dell' Arte is ingericht als een geheimzinnige, donkere plek in het bos met in het midden een open graf dat tot aan de rand met water is gevuld. Hierin liggen attributen van de industriële vooruitgang en de moderne architectuur: de siervelg van een Citroën CX, een grijze plastic vuilniszak, een bosje ijzer uit het binnenste van gewapend beton, twee afbeeldingen van bouwwerken van de Franse sterarchitect Jean Nouvel: het Institut du Monde Arabe in Parijs en het op een vliegdekschip gelijkende commerciële centrum Triangle de Gare in Lille. Ook het gebouw voor het Europese Hof voor de Rechten van de Mens in Straatsburg (1989-1995), ontworpen door Richard Rogers, kwijnt zienderogen weg onder het roestzweem dat alles oud en afgedankt maakt. In vrije vertaling luidt het begeleidende grafschrift: de hedendaagse metropool is een ellendige chaos van beton, auto's en commercie. Decennia lang zijn de stedelijke bewoners het slachtoffer geweest van gedevalueerde idealen: stadsplanning bleek niet meer te zijn dan verkeersplanning; openbare ruimte betekende slechts ruimte voor handel en commerciële propaganda. Volgens de Zweden is alleen Daphne nog bij machte deze dramatische ontwikkelingen een halt toe te roepen. Stedelijke hoogwaardigheid kan slechts worden hersteld door de materialen van de natuur, de bomen, planten en bloemen, als architectonische middelen te gebruiken.

In het Palazzo dell' Arte ligt Zweden naast Nederland. In het Nederlandse paviljoen zijn de zinnen nadrukkelijk meer op Apollo dan op Daphne gezet, blijkt uit het videofilmpje waarmee elk van de dertig deelnemende landen zich voorstelt bij de in- en uitgang van hun negen bij negen meter grote domein. De commentaarloze zelfportretjes van minimaal tien en maximaal dertig seconden dienen als illustratie van het thema van deze Triënnale: 'Identità et Differenze' - Identiteit en verschil. Duistere onderthema's zorgen ervoor dat vrijwel elke inrichting met een beetje geduw en getrek in een toepasselijk kader kan worden gewrongen: 'Integratie en pluraliteit in onze tijd', 'Culturen tussen duurzaamheid en vluchtigheid'.

Computer

De gefilmde zelfportretten worden getoond op een met zware, bruine lijst getooide monitor die, bovenop een soort boortoren, in het grensgebied tussen de landen is geplaatst. Het grove staketsel werd ontworpen door de Oostenrijkse kunstenaar Hermann Czech en is door de triënnale-leiding voor de exposanten verplicht gesteld. Sommige landen beschouwen de gele obstakels als een nauwelijks te verdragen inbreuk op de vormgeving van hun nationaal paviljoen. Dit geldt zeker voor de Nederlandse inzending die als een volmaakte eenheid door een computer is ontworpen, door een computer is ingericht en zelfs door een computer uit blank hout is gezaagd. Direct of indirect werd de ontwerpcomputer gestuurd door architect Ben van Berkel, architectuurhistoricus Ole Bouman, environment-designer René van Raalte en Ruud Brouwers, tentoonstellingsmaker bij het Nederlands Architectuur Instituut. Binnen het golvende slakkenhuis onthullen zeven videofilms hoe ingrijpend de digitale revolutie het architectonisch en stedebouwkundig ontwerpen kan veranderen. Computeranimaties van het werk van onder anderen Zwarts & Jansma (Stadion Feyenoord) en Kas Oosterhuis (Sculpture City en H20 Expo) en van een aantal gebouwde ontwerpen van Van Berkel & Bos, geven gelukkig de indruk dat het hier nog wel degelijk over architectuur gaat. Dat is een bijzondere prestatie, want de beelden die door de nieuwe media worden voortgebracht, versluieren het onderwerp doorgaans eerder dan dat zij het verhelderen.

Zoals de Zweedse Daphne-minnaars op de introducerende videofilm zich verborgen houden achter een nostalgische façade van groene bladeren en romantisch loof, zo schetst de Nederlandse Apollo-mens zijn zelfportret aan de hand van een flitsend pingpongspel met kleurige plaatjes waaruit een ondernemende, optimistische geest spreekt. En die geest zegt, dat in de toekomst de architectonische en stedebouwkundige cultuur steeds meer zal worden beheerst door virtual reality, superintelligente gebouwen en open volumes met onbegrensde mogelijkheden. Daarbij is eigenaardig dat hoe oneindiger de mogelijkheden zijn en hoe verder de vertrouwde ordeningen en dimensies uit het zicht verdwijnen, des te meer de bevroren resultaten in de vorm van gebouwen op elkaar lijken. Als de grenzen van vloeren, muren en plafonds in een ruimtelijk fluïdum zijn vervlogen, blijkt de computer een voorkeur te hebben voor reusachtige druppels, voor kwallen, schelpen, bolknakken, hoofdkussens, in elkaar gerolde wormen of, als de opdrachtgever iets hoekigs wil, voor opengeslagen kristallen. Aan deze vormen herkent men de avant-garde.

Het Nederlandse paviljoen, dat boven de paviljoens van de meeste andere landen in Milaan uitsteekt, sluit vooral aan bij de presentaties van twee van de vier internationale architecten die in het Palazzo dell' Arte met een eigen installatie een toelichting op hun werk geven: de Fransman Jean Nouvel en de Amerikaan Peter Eisenman. Vooral bij de theoretici onder de architectuurvoorhoede behoort een portie parmantige ondoorgrondelijkheid tot de regels van het internationale spel. Zij doen beweringen die een ontvankelijke buitenstaander bij eerste beschouwing denkt te snappen, maar die in lucht opgaan zodra een poging wordt gedaan om de werkelijke betekenis te achterhalen. Het is als een voorwerp dat je uit een ooghoek ziet, maar dat voor je blik op de vlucht slaat wanneer je er naar kijkt. Vooral Peter Eisenman is een meester in deze goochelkunst. Voor zijn bijdrage heeft hij een invalshoek genomen die, naast de genoemde thema's, door de Triënnale-leiding ook nog naar voren is gebracht, namelijk die van het verhaal.

Hitler

Peter Eisenman noemde zijn bijdrage aan de Triënnale 'Delirium' en baseerde zijn ruimtelijk ontwerp met witte, scherp gevouwen bouwlichamen, op een verhaal van Douglas Cooper. Onderwerp is een architect die heeft besloten zijn biograaf te vermoorden. Het moordbesluit is onvermijdelijk want de even arrogante als kwaadaardige biograaf staat een zeer lasterlijk boek voor ogen om daarmee de mythe van de geniale architect voor altijd te beschadigen. Als inspirerend en alarmerend voorbeeld diende een biografie over Mies van der Rohe waarin de reus van de International Style en de Moderne Beweging wordt afgeschilderd als een gelijkgestemde van Hitler.

Het verhaal van Cooper en Eisenman is 'een dodendans' tussen de ontwerper die de openbare ruimte vernietigt en de biograaf die een einde maakt aan het openbare leven van de architect. Van meet af aan leek duidelijk dat het labyrint de meest geschikte vorm was voor deze geschiedenis. Niet een labyrint dat in een conventioneel boek met tekst wordt opgebouwd, maar een sonic novel on the world wide Web, een electronisch kunstwerk gecomponeerd met gedigitaliseerde sound-clips. De compositie werd vervolgens door Eisenman omgezet in een ruimtelijke installatie die is gebaseerd op de analyse van een zoutkristal. Niet voor niets zout. Zout symboliseert de ondergang van de zondige stad Gomorra. Zout inspireerde Mies van der Rohe bij de bouw van een paviljoen voor de nazi's en zout hoort bij slavenarbeid, bij onmenselijk gezwoeg in de mijnen.

De bezoeker die het verhaal niet kent, zal in het Palazzo dell' Arte onverschillig door de reusachtige installatie van Eisenman wandelen en denken: waarom zo en niet anders? Maar op de hoogte van de moordplannen, krijgt de wandeling toch een beetje het karakter van een ontsnapping. Het is onmogelijk om de dreigende vormen die de ruimte doorklieven te ontwijken. Het moorddadig plan van de architect lijkt te slagen. To kill a man with a room, instead of an axe, zeggen Cooper en Eisenman. Met de grillige schotsencompositie is zowel de ruimte als de mens om zeep geholpen. Maar het 'Virtuele Kristal' moet meer betekenen dan alleen maar een moordmachine. Met hun cataloguscommentaar zijn Cooper en Eisenman behulpzaam. Het witte labyrint illustreert de verwarrende, onthechte staat waarin wij ons tijdens een delirium bevinden, losgeslagen van de rationele werkelijkheid. Kijk in de catalogus naar de onbeweeglijke ijsmassa op het schilderij De zee van ijs (1824) van Caspar David Friedrich. In twee dimensies is dit een afbeelding van hetzelfde verhaal, de stilte is voelbaar en vooral de afwezigheid van leven en hoop. Met zijn installatie wil Eisenman aantonen dat architectuur zó ingrijpend is en zowaar helpt het verhaal om dat te ervaren.

Zap-cultuur

Het delirium van Jean Nouvel is veel vrolijker. Als 'professionele kijker', zoals hij de architect ziet, bombardeert hij de bezoeker met een onuitputtelijke beeldenreeks van de stad. Wat hij met zijn dronken caleidoscoop vooral wil zeggen is dat de stad als eenheid is opgegeven. De stad zoals deze ontstond in de twaalfde eeuw en werd ontwikkeld tijdens de Renaissance is verouderd en Nouvel scheert met zijn camera klakkeloos over de visuele chaos heen die ervoor in de plaats is gekomen. De losgeslagen beelden komen van alle kanten, van boven en van opzij, maar ze zijn niet in staat om de toeschouwer lang vast te houden. Hij verlaat Nouvels ruimte met de overtuiging dat de zap-cultuur hopeloos is achterhaald, in elk geval veel sterker is verouderd dan de stad die in de Renaissance is groot geworden.

De reis om de wereld in het Palazzo dell' Arte (1933, Giovanni Muzio) biedt hoogtepunten in Japan, Zwitserland, Finland, Portugal en in Vlaanderen. De Belgen hebben hun land uitgeleend aan de cartoontekenaar Benoît en daarmee een daad van jewelste verricht. Alleen Vlamingen verstaan de kunst hun aard te tonen met een inzending die een superieure stijl ontleent aan ironie. Ook hier gebeurt het weer in de vorm van een verhaal. Benoît vertelt met zijn fijnzinnige tekeningen over de intimiteiten van het interieur en de identiteit die mensen aan hun stoelen, lampen, boekenkasten en bloemenvazen ontlenen. De meubelen van onder andere Maarten van Severen die de levensgrote figuren van Benoît ter beschikking staan, weerspiegelen het hoge niveau van wat in Vlaanderen nog gewoon binnenhuisarchitectuur wordt genoemd.

Het vereiste zelfportretje van België munt ook al uit door trefzekerheid. Te zien is een uit zijn voegen gerukt, vierkant houten huis dat in een vliegende storm als een tol om zijn as draait. Aan een van de vier hoeken heeft zich een mannetje (Buster Keaton) vastgeklampt dat het dolgedraaide huis niet kan tegenhouden, noch kan loslaten. Hard meehollen is het enige dat erop zit, non-stop, gedurende de openingstijden van de tentoonstelling.

Verfijning

'De aardbeving in Kobe heeft de crisis van de hedendaagse steden blootgelegd,' zo begint, in een voorbeeldig ingericht paviljoen, het Japanse verhaal. Het individu is in de anonimiteit van de moderne metropool verloren geraakt en door de aardbeving is onthuld dat de publieke massa uit onafhankelijke, zelfstandige wezens bestaat, elk met een eigen sterfelijk lichaam. Voor Japanners was dat een hele verrassing, zoals zijzelf ook toegeven. De stad kan alleen overleven als de bewoners hun individualiteit terugkrijgen en bij de herbouw van Kobe leidt dit onder meer tot een, tot nu toe in de Japanse steden ongekende, aandacht voor de openbare ruimte. In het paviljoen, dat met een record aantal videoschermen en andere apparatuur oogt als een laboratorium, zijn van de plannen gedetailleerde tekeningen te zien die, evenals de maquettes, door hun esthetische verfijning net zo goed tot het domein van de kunst gerekend kunnen worden.

Ook Finland en Portugal tonen modellen om van te watertanden. Gewoon, zorgvuldig gemaakte maquettes; in het Portugese paviljoen poseren zij als diva's op een draaitafel die door de bezoeker zelf kan worden bediend. De tocht door Polen, Rusland, de Federale Republiek Joegoslavië, China, Roemenië, Bosnië-Herzegovina, Moldavië en Tsjechië is vooral somber. Om de inzendingen van deze landen aan het thema te toetsen, lijkt ongepast. Uit de schamele manier waarop zij zich in het Palazzo dell' Arte presenteren, spreekt zoiets als: wij zijn blij dat wij met onze schotten, onze plaatjes en die paar maquettes Milaan überhaupt hebben gehaald. Wat zij kunnen laten zien om trots op te zijn, is óf oude glorie of klein en ontroerend in een grote grauwe zee, de restauratie van een kerk, de uitbreiding van een school. Polen toont resultaten van de internationale prijsvraag uit 1992 voor de renovatie van het centrum van Warschau. De maquette van een prijswinnend ontwerp van Jaçek Damiecki belooft met grote, hoge bouwblokken veel gruwelijkheden in de binnenstad van Warschau. Rusland heeft voor de gelegenheid de beroemde prijsvraag voor een Sovjetpaleis uit 1932 van stal gehaald. De Federale Republiek Joegoslavië pakt de draad van het verleden weer op en wil met onleesbare plannen van Belgrado een eigentijdse stad maken. Het paviljoen van China is voornamelijk leeg. Roemenië plaatst tegenover het potsierlijk grote Huis van het Volk, een erfenis van Ceausescu, onder andere aandoenlijke tekeningen van een weeshuisuitbreiding uit 1994 in Timisoara. Het repertoire van Bosnië-Herzegovina kan niet anders dan hoofdzakelijk bestaan uit ontmoedigende plaatjes van gebouwen in Sarajevo en Mostar vóór en na een bombardement. Moldavië had tot een uur voor de opening van de Triënnale nog niets in huis vanwege douaneproblemen. Maar toen die voorbij waren vulde het paviljoen zich vooral met lelijke schilderijen en sculpturen. En Tsjechië, ten slotte, heeft naast maquettes van Praag een muur van de imaginaire 'Piazza Profumata' met wilde grafitti bespoten en daarboven geschreven 'A city think self: boredom is a crime'. Het gefilmde zelfportret van Tsjechië heeft ook niets Oosteuropees. Op een riante zolderverdieping leeft een zichtbaar welvarend echtpaar met twee kinderen. De man zit op een comfortabele hoekbank de krant te lezen met een afstandsbediening voor de televisie onder handbereik. De vrouw is bezig in een moderne open keuken met alle denkbare apparatuur. Tussen keuken en woonkamer staat een grote eettafel met vier modieuze Thonetstoelen er omheen. De kinderen spelen op de grond, bedekt met mooie vaste vloerbedekking en af en toe komt een kostbare platenspeler in beeld. Zo ziet Tsjechië zichzelf.

Het enige land dat zich niet aan de opdracht tot zelfportrettering heeft gehouden, is de gastheer, Italië. Maar de bezoeker van de Triënnale in Milaan zal de typologie van Italië geen ogenblik missen, omdat hij er in werkelijkheid onafgebroken door is omringd. Bijvoorbeeld op zondagmorgen in de magistrale Domkerk tijdens de hoogmis. In de zuidflank van de kerk wordt een man de biecht afgenomen. De elegant ogende biechteling zit niet geknield, zoals gebruikelijk is, maar staat overeind alsof hij maar weinig tijd heeft. Zijn lichaam hangt schuin naar voren zodat zijn hoofd half in het hokje van de priester steekt en veilig binnen bereik is van zijn gehoor. Terwijl een kaakfragment van het gezicht van de jonge priester oplicht, klinkt het eigenaardige, geknepen geluid van een zaktelefoon. De biechteling slaat geschrokken op zijn borst alsof hij het apparaat in zijn binnenzak zo tot zwijgen kan brengen. Dan loopt hij haastig naar een donkere hoek naast de biechtstoel om zijn toestelletje te woord te staan. Wij zien nog juist hoe de priester de zondige beller de zegen geeft.